ECLI:NL:RBDHA:2026:22568

ECLI:NL:RBDHA:2026:22568

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer C/09/703680 / JE RK 26-659
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beschikking van de meervoudige kamer tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtigingen tot uithuisplaatsing. Verzoek en beoordeling hangt samen met opvoedvisie van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/703680 / JE RK 26-659

Datum uitspraak: 13 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling,

over de minderjarigen

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [de minderjarige 1] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [de minderjarige 2] ,

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [de minderjarige 3] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,hierna samen te noemen de ouders,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.S. Kerkhof-Pöttger uit Zoetermeer.

De rechtbank merkt als informanten aan:

[de gezinshuisouder 1] ,

en

[de gezinshuisouder 2] ,

hierna te noemen de gezinshuisouders van [de minderjarige 3] .

1. Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 11 juni 2026 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verlengd tot 14 juli 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 14 juli 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening is verlengd tot 14 juli 2026. Iedere verdere beslissing is aangehouden, waarbij is toegezegd de beschikking te geven op 3 juli 2026.

De inhoud van voornoemde beschikking moet als hier overgenomen worden beschouwd.

Op 2 juli 2026 heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling en de advocaat van de ouders geïnformeerd dat het door onvoorziene omstandigheden niet mogelijk is de beschikking te geven op 3 juli 2026, in tegenstelling tot wat ter zitting is toegezegd, en dat de beschikking uiterlijk 13 juli 2026 wordt gegeven.

2. Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en voor diezelfde duur de machtigingen tot uithuisplaatsing te verlengen. Wat betreft de machtigingen tot uithuisplaatsing is het verzoek ter zitting gewijzigd, in die zin dat voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt verzocht een machtiging te verlenen voor hun verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en voor [de minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening. De categorisering sluit aan bij de feitelijke woonsituaties, omdat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn verhuisd. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft gevraagd om de opvoedvisie, zoals door de gecertificeerde instelling geformuleerd in twee bij het verzoek gevoegde bijlagen, te betrekken bij de beslissing over de uithuisplaatsing. De visie van de gecertificeerde instelling is dat het opvoedperspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt.

3. Het standpunt van de ouders

De ouders voeren geen verweer tegen verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zoals verzocht. Ten aanzien van [de minderjarige 1] verzoeken zij de rechtbank de machtiging voor een kortere duur te verlengen, namelijk maximaal zes maanden.

4. De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. De ouders zijn bereid, maar onvoldoende in staat om de bedreigingen zelfstandig weg te nemen.

Alle kinderen hebben een persoonlijke kwetsbare ontwikkeling en hebben daarnaast veel meegemaakt toen zij thuis woonden bij de ouders, wat van grote invloed is op hun ontwikkeling. Er is in de loop der jaren een complexe en schadelijke gezinsdynamiek ontstaan, waarbij het gevoel van veiligheid van de kinderen is beschadigd. Kort gezegd roept het gedrag van de kinderen emoties en gevoelens van onmacht op bij de ouders waar zij – vanwege hun eigen psychische kwetsbaarheden – niet goed mee kunnen omgaan. Als gevolg daarvan reageren zij inadequaat op het gedrag van de kinderen en lukt het de ouders niet om de kinderen te begrenzen of te bereiken. Door de reactie van de ouders ervaren de kinderen onveiligheid en onvoorspelbaarheid, hetgeen hun ontwikkeling negatief beïnvloedt en weer tot uiting komt in oplopende spanning en heftig gedrag, zoals woede-uitbarstingen. Dit patroon is beschadigend geweest voor alle gezinsleden. De kinderen hebben niet geleerd op een andere manier met hun emoties om te gaan en daarbij te kunnen vertrouwen op hun opvoeders. De ouders zijn overbelast geraakt.

De rechtbank ziet dat de ouders de afgelopen jaren hard aan zichzelf hebben gewerkt in het belang van de kinderen, zowel vóór als tijdens de ondertoezichtstelling. De ouders hebben daar terecht veel waardering en bewondering voor gekregen. Uiteindelijk heeft in mei 2025 een gezinsopname plaatsgevonden bij GGZ Drenthe, met als doel de haalbaarheid van gezinshereniging te beoordelen. Dit is een intensief traject geweest dat veel van iedereen heeft gevraagd. Tijdens de opname waren de ouders eerst alleen met [de minderjarige 3] en daarna kwamen ook [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erbij. Hoewel de ouders zich open en reflectief hebben opgesteld, is het tijdens dit traject niet gelukt de destructieve gezinspatronen structureel te veranderen. De veiligheid van de kinderen kwam opnieuw en herhaaldelijk onder druk te staan. Om die reden is de gezinsopname voortijdig beëindigd en met een negatieve ouderschapsbeoordeling afgesloten. Opvoedvisie

Mede naar aanleiding van het verloop van de gezinsopname stelt de gecertificeerde instelling dat een punt is bereikt waarop duidelijkheid moet komen over het perspectief van de kinderen, waarbij moet worden geconcludeerd dat de ouders niet in staat zijn zelfstandig de volledige verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De gecertificeerde instelling heeft deze opvoedvisie beschreven in twee documenten en de rechtbank gevraagd die te beoordelen, zodat wat de gecertificeerde instelling betreft in het kader van de uithuisplaatsingen kan worden gewerkt aan een stabiele basis voor de kinderen op hun huidige woonplekken en het vormgeven van het ouderschap van de ouders op afstand. Dit was ook het advies van GGZ Drenthe. Daarmee verandert het doel van de uithuisplaatsing, omdat die niet meer gericht zal zijn op volledige terugkeer van de kinderen naar huis of het onderzoeken van de mogelijkheden daartoe.

Hoewel de ouders in deze procedure alleen verweer voeren tegen de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , is het voor de rechtbank ter zitting duidelijk geworden dat zij het in de kern oneens zijn met de opvoedvisie ten aanzien van alle kinderen. Wat de ouders betreft moet blijvend worden bekeken of, en zo ja hoe, de uithuisplaatsingen op termijn gefaseerd kunnen worden beëindigd en wat de kinderen daarbij individueel nodig hebben. Zij hebben het vertrouwen dat [de minderjarige 1] binnen afzienbare tijd – eerder dan [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] – weer thuis kan wonen en daarom is hun verweer nu alleen daarop gericht. De rechtbank begrijpt het zo dat de ouders erin berusten dat het perspectief van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] op de kortere termijn niet thuis ligt, maar dat zij de mogelijkheid van hun terugkeer naar huis altijd open willen houden en willen blijven onderzoeken. Vanuit het perspectief van de ouders is dat een begrijpelijk en invoelbaar standpunt.

De rechtbank kan een opvoedvisie (soms ook opvoed- of perspectiefbesluit genoemd) in een voorkomend geval beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige(n). De rechtbank zal dat in dit geval doen ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .

Verlenging uithuisplaatsing

De rechtbank overweegt als volgt. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zijn inmiddels meer dan drie jaar uit huis geplaatst, met een korte onderbreking tijdens de gezinsopname. Dat is objectief gezien een geruime tijd waarin de kinderen niet meer thuis wonen. Het is in het belang van de kinderen om duidelijkheid te krijgen over de vraag waar en bij wie zij zullen opgroeien. In het geval van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is die behoefte aan duidelijkheid nog groter, omdat een deel van hun ontwikkelingsproblemen voortkomt uit ervaringen met een instabiele opvoedomgeving. Daar komt bij dat de hulp die gericht is geweest op hun terugkeer naar huis ook vanuit het perspectief van de kinderen bezien niet is geslaagd. Net als voor de ouders is dat ook voor de kinderen een verlieservaring die zij moeten verwerken. Duidelijkheid over de vraag waar ze zullen wonen als dat thuis niet kan, zal hen helpen om van die ervaringen te herstellen en ruimte bieden voor positieve ontwikkeling, ook in het contact met de ouders. Dat belang van de kinderen weegt de rechtbank zwaar mee.

De afgelopen jaren, en tijdens de gezinsopname in het bijzonder, is niet gebleken dat de ouders in staat zijn of (met hulp) kunnen worden gesteld om op een verantwoorde manier de volledige zorg over de kinderen te dragen, ondanks hun goede wil en maximale inzet. Anders dan de advocaat stelt toont de risicotaxatie volgens de rechtbank dat er een (blijvend) hoog risico is op onveiligheid in de thuissituatie (en een laag risico in de situatie dat de kinderen uit huis zijn). Het verloop van het traject en het eindadvies van de gezinsopname van GGZ Drenthe laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat het risico voortkomt uit deels onveranderlijke problematiek bij zowel de kinderen als de ouders en diepliggende patronen in de gezinsdynamiek.

De gezinsopname heeft volgens de ouders geen inzicht gegeven in de haalbaarheid van gezinshereniging met de kinderen afzonderlijk. Evenals de ouders kan de rechtbank niet met zekerheid zeggen hoe het traject zou zijn verlopen als het op die manier was ingestoken, maar het maakt voornoemde conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Gebleken is immers dat de bovengemiddelde opvoedbehoeften van alle kinderen de mogelijkheden van beide ouders overstijgen. De kinderen hebben individuele behoeften en belangen, maar die kunnen niet geheel los worden gezien van de belangen van de andere kinderen gezien het gezinssysteem dat zij met elkaar vormen en waarin zij opgroeien. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief zwaarder weegt dan het belang van de ouders om er naar toe dat zij in de toekomst mogelijk weer volledig – en daarmee bedoelt de rechtbank fulltime – voor de kinderen kunnen zorgen.

Ten aanzien van [de minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat hij een even groot belang heeft bij duidelijkheid en stabiliteit als [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] . Bovendien is de rechtbank het met de gecertificeerde instelling eens dat het contact tussen de ouders en [de minderjarige 1] goed verloopt omdát [de minderjarige 1] op zijn woonplek de stabiliteit ervaart die hij nodig heeft om het contact op deze manier met de ouders te kunnen aangaan. Duidelijkheid dat hij naast de uitbreiding van dit contact bij de woongroep blijft wonen zal daar naar verwachting juist aan bijdragen, omdat dit voor hem nu nog verwarrend is. Een contactmoment van een dag per week verschilt daarnaast ingrijpend met het fulltime ouderschap als [de minderjarige 1] weer thuis zou komen wonen. Het contact tussen [de minderjarige 1] en de ouders is een positieve ontwikkeling waarvan de rechtbank ziet dat die door alle betrokkenen, ook de gecertificeerde instelling, wordt gewaardeerd. Daarom volgt de rechtbank de ouders niet in de redenering dat een onterecht negatief beeld van hen is geschetst, dan wel dat de positieve ontwikkelingen in het contact met [de minderjarige 1] onvoldoende zijn meegewogen in het formuleren van de opvoedvisie. Dat de gecertificeerde instelling na de gezinsopname en negatieve ouderschapsbeoordeling blijft investeren in het contact geeft de rechtbank het vertrouwen dat de gecertificeerde instelling ook tot doel heeft de gezinsband te blijven versterken.

Concluderend onderschrijft de rechtbank de opvoedvisie, in die zin dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] op hun huidige woonplekken blijven wonen en dat vanuit die bestendige situaties wordt gewerkt aan het zo groot mogelijk maken van de rol van de ouders, waarbij gestreefd mag worden naar een vorm van gedeeld ouderschap, mits de belangen van de kinderen daarmee niet worden geschaad. Daarmee bedoelt de rechtbank dat voor de kinderen duidelijk moet zijn dat het contact met de ouders niet tot doel heeft om volledig thuis te wonen, maar wel om zoveel mogelijk samen te zijn als gezin. Bijvoorbeeld in de weekenden, een deel van de week en/of tijdens vakanties, afhankelijk van wat voor het individuele kind passend en mogelijk is. De rechtbank is ervan overtuigd dat dit een haalbaar toekomstperspectief is en dat dit de grootste kans van slagen heeft vanuit de situatie dat de kinderen (ook [de minderjarige 1] ) hun vaste woonplek elders hebben. Het betekent ook dat naast acceptatie van deze veranderende ouderrol ook nog steeds moet worden geïnvesteerd in de opvoedcapaciteiten van de ouders.

De afgelopen maanden illustreren voor de rechtbank dat de gecertificeerde instelling en de ouders ervoor open staan om het maximaal haalbare te bereiken, met oog voor de belangen van de kinderen. De rechtbank zou het betreuren als de opvoedvisie de samenwerking nu op scherp zou zetten, omdat gedeeld ouderschap een mooi en haalbaar doel is om met elkaar naartoe te werken en dit tot op zekere hoogte ook tegemoetkomt aan de wens van de ouders. De rechtbank begrijpt dat de ouders in een moeilijke positie zitten en – in hun eigen woorden – voor de kinderen willen blijven vechten. De rechtbank ziet echter ook dat de ouders reëel en reflectief kunnen zijn. Het is moedig om te zeggen en uit te dragen naar de kinderen dat ze op een goede plek wonen en dat het thuis niet goed ging. De rechtbank maakt daaruit op dat de ouders het belang van hun kinderen voorop kunnen zetten en dat is het allerbelangrijkste dat zij voor de kinderen kunnen doen.

Uit het voorgaande volgt de conclusie dat is voldaan aan de vereisten voor de verlen(g)ing van de machtigingen tot uithuisplaatsing, in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Ten aanzien van [de minderjarige 1] ziet de rechtbank in het licht van wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding een kortere machtiging te verlenen.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht.

De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

5. De beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot 14 juni 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 juni 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot 14 juni 2027;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven op 13 juli 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel,

mr. K.A.M. van der Zon en mr. H.J.M. Bellekom, kinderrechters, in aanwezigheid van

mr. S.T. Viezee als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.T. Viezee als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand