Gezag, omgang
Beschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- het F9-formulier van 15 september 2025 van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 13 oktober 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 3 december 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 12 mei 2026 met het rapport raadsonderzoek van 11 mei 2026, met kenmerk KZ-1-69M680Y.
Op 22 juni 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van de onderhavige verzoeken en het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] voor de periode van één jaar (C/09/705042 / JE RK 26-815). Op laatstgenoemde verzoek is bij afzonderlijke beschikking beslist.
Ter zitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, I.R. Tjandrakesuma;
- de vader, bijgestaan door mr. E.J.W. Schuijlenburg, kantoorgenoot van zijn advocaat;
- [naam] namens de Raad.
De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft daarvan, gelet ook op haar persoonlijke omstandigheden, geen gebruik gemaakt.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van na te melden beschikking, in die zin dat de moeder verzoekt:
- gedurende de eerste drie maanden: tweemaal per week voor de duur van drie uren;
- na ommekomst van voornoemde drie maanden: gedurende een periode van drie maanden twee dagen per week van 10.00 uur tot 18.00 uur;
- na ommekomst van voornoemde tweede termijn van drie maanden: eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.00 uur;
een en ander met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na dagtekening van na te melden beschikking zijn gewijzigd.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ([minderjarige]).
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de vader.
- Bij beschikking van 25 januari 2017 van deze rechtbank is de moeder geheel geschorst in de uitoefening van het gezag en is de vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast.
- Bij vonnis in kort geding van 2 december 2025 van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming met het oog op de bodemprocedure verzocht een onderzoek te verrichten en aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen.
- De moeder heeft de Indonesische nationaliteit en de vader heeft de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Gezag
Bij beschikking van 25 januari 2017 van deze rechtbank is voor recht verklaard dat het gezag van de moeder is geschorst. Daarbij is verwezen naar de artikelen 1:253q en 1:253r van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij dezelfde beslissing is de vader met het gezag belast, zodat hij het ouderlijk gezag nu alleen uitoefent. Op grond van artikel 1:253q lid 5 BW kan de rechtbank de moeder weer met het gezag belasten, tenzij het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet. Bij toewijzing van het verzoek zou de moeder het gezag samen met de vader uitoefenen.
De moeder heeft aangegeven dat zij graag samen met de vader het gezag over [minderjarige] wil delen en gezagsbeslissingen over [minderjarige] wil nemen. De moeder vindt dat in het belang van [minderjarige], temeer nu zij ernstig gehandicapt is. Gezamenlijk gezag is ook het wettelijk uitgangspunt. Tegelijkertijd heeft de moeder ter zitting aangegeven dat zij de vader al een tijd niet heeft gesproken en voor gezamenlijk gezag is er wel enige vorm van wederzijdse communicatie nodig. De moeder is als ouder in staat tot normale communicatie met de vader en bereid tot overleg, maar aan de kant van de vader is dit niet altijd het geval. De moeder refereert zich ten aanzien van het gezag daarom aan het oordeel van de rechtbank.
De vader stelt dat het verzoek van de moeder tot gezamenlijk gezag moet worden afgewezen. De ouders hebben al jaren geen contact meer met elkaar en zijn niet in staat om met elkaar te communiceren. Ook is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt. Bij gezamenlijk gezag zal [minderjarige] klem en verloren raken tussen de ouders, aldus de vader.
Uit het advies en de toelichting van de Raad ter zitting volgt dat [minderjarige] een vijftienjarig meisje is met een hersentumor, waardoor zij meervoudig beperkt is sinds haar babytijd. Zij zit in een rolstoel, krijgt sondevoeding en is afhankelijk van anderen voor haar fysieke verzorging en heeft veel specialistische zorg nodig. Zij heeft een ontwikkelingsachterstand, kan niet praten en haar prikkelverwerking is zeer beperkt, waardoor nieuwe en veranderende situaties veel stress opleveren, ze snel overprikkeld raakt en onrustig wordt. De vader zorgt op dit moment alleen voor [minderjarige]. Hij is zeer betrokken en qua (medische) zorg handelt hij goed en adequaat. De moeder heeft [minderjarige] al een hele tijd niet gezien. Voorts is op dit moment geen sprake van contact en communicatie tussen de ouders. De Raad verwacht dat als de ouders contact met elkaar zouden hebben, dit gespannen zal zijn en tot conflicten zal leiden. Gezien de meer dan gebruikelijke en forse medische zorg voor [minderjarige] vindt de Raad het niet verantwoord als de ouders hier gezamenlijke beslissingen over zouden moeten nemen. In het belang van [minderjarige] adviseert de Raad daarom geen wijziging in het gezag over [minderjarige] aan te brengen en het verzoek van de moeder om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] af te wijzen.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
De rechtbank is gebleken dat de ouders al enige tijd geen contact meer met elkaar hebben en dat zij niet met elkaar (kunnen) communiceren over [minderjarige]. Voor [minderjarige] is veel specifieke (medische) zorg nodig waarvoor de ouders met gezag toestemming moeten geven. De rechtbank acht op dit moment het risico te groot dat als de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige] hebben, zij niet in staat zullen zijn om in het belang van [minderjarige] samen gezagsbeslissingen over de benodigde zorg voor [minderjarige] te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is als de ouders gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige]. De rechtbank zal daarom – conform het advies van de Raad – het verzoek van de moeder tot gezamenlijk gezag afwijzen.
Omgang
De moeder stelt dat haar toekomst in Nederland is en dat haar leven inmiddels stabiel is. Zij heeft een eigen woonruimte en ook heeft zij werk gevonden. De moeder heeft twee jaar geleden de woning waar de ouders samen met [minderjarige] woonden verlaten en tot 2024 is er omgang geweest tussen de moeder en [minderjarige]. De moeder wil graag weer omgang met [minderjarige] en acht omgang ook in haar belang. De moeder stelt voor om de omgang, al dan niet onder begeleiding, op te starten met een opbouwregeling.
De vader voert verweer en stelt dat omgang met de moeder niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] is een heel kwetsbaar meisje en kan geen veranderingen aan. Er is al een hele tijd geen omgang tussen de moeder en [minderjarige] geweest en de vader ziet ook geen mogelijkheden om dat nu wel te realiseren. De laatste keer dat [minderjarige] haar moeder kort zag heeft veel stress en beroering bij [minderjarige] opgeleverd en dat is niet in haar belang.
De Raad adviseert om in het belang van [minderjarige] op dit moment geen omgang tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen. Dit gezien de beperkte belastbaarheid van [minderjarige] en haar beperkte vermogen zich aan te passen aan nieuwe situaties. De Raad is bezorgd dat het opbouwen van omgang met de moeder, zonder professionele hulp en begeleiding van een externe organisatie, weinig tot geen kans van slagen zal hebben. De Raad durft niet te voorspellen wat er in een periode van een eventuele ondertoezichtstelling ingezet kan worden.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet een betrokken vader die alles voor [minderjarige] doet en twijfelt ook niet aan zijn inzet, zorg en liefde voor [minderjarige]. Tegelijkertijd ziet de rechtbank dat sprake is van een kwetsbare situatie, nu de vader de zorg voor [minderjarige] met niemand deelt en er geen achtervang voor [minderjarige] is voor het geval de vader niet meer (volledig) voor haar kan zorgen. De moeder heeft gesteld dat zij tot twee jaar geleden een substantiële rol in het leven van [minderjarige] heeft gespeeld en de rechtbank acht dit op basis van de stukken aannemelijk. De rechtbank vindt het belangrijk dat de moeder deze rol weer kan vervullen, te meer nu een kind in beginsel recht heeft op omgang met zowel zijn vader als zijn moeder. De rechtbank zal ten aanzien van de omgang daarom het advies van de Raad niet volgen. De rechtbank ziet wel hoe ingewikkeld de huidige situatie is en dat er niet meteen een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] kan worden vastgesteld. De rechtbank ziet voorts het belang van begeleiding van omgang. De rechtbank zal daarom een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vaststellen, maar pas vanaf 1 januari 2027. Daarnaast zal deze regeling langzaam worden opgebouwd, als na te melden. In de komende maanden kan de vader, onder begeleiding van de gecertificeerde instelling (bij beschikking met zaaknummer C/09/705042 wordt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor één jaar uitgesproken), [minderjarige] voorbereiden op hervatting van de omgang met de moeder en kan de omgang indien mogelijk onder begeleiding van de gecertificeerde instelling voorzichtig worden opgestart met enkele begeleide omgangsmomenten.
Daarbij geeft de rechtbank de gecertificeerde instelling mee om samen met de ouders te kijken welke omgangsregeling na de opbouwregeling van zes maanden in het belang van [minderjarige] is, waarbij de gecertificeerde instelling zelf op grond van artikel 1:265g BW een wijzing van de omgangsregeling kan verzoeken, zodat dit niet door de ouders zelf hoeft te worden gedaan.
BeslissingDe rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats],
in het kader van de vaststelling van een omgangsregeling bij de moeder zal zijn, vanaf 1 januari 2027:
- de eerste twee maanden gedurende een uur per week;
- de daarop volgende twee maanden gedurende drie uur per week;
- de daarop volgende twee maanden: een dagdeel per week;
waarbij na deze zes maanden in samenspraak met de gecertificeerde instelling wordt bekeken welke omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.