Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 8 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Stam te ’s-Hertogenbosch.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft in een gesprek met de rechter haar mening laten weten. De minderjarige [de minderjarige 2] heeft een brief aan de rechter geschreven.
Op 29 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op 11 november 2011.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
- Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure aanhangig, geregistreerd onder zaak- en rekestnummer C/09/678092 / FA RK 25-37.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt dat:
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat:
- de kinderen steeds een hele week bij de ene ouder en vervolgens een hele week bij de andere ouder zijn, waarbij de wisseldag op maandag is;
- de kinderen tijdens schoolvakanties de helft van de tijd bij de ene, respectievelijk de andere ouder zijn, waarbij ‘het ritme’ gelijk is aan de hiervoor genoemde zorgregeling tijdens schoolweken, met uitzondering van de zomervakantie, waarbij de kinderen in de zomervakantie de eerste drie weken bij de man zijn en de laatste drie weken bij de vrouw, waarna ‘het ritme’ van een hele week bij de ene, respectievelijk de andere ouder wordt hervat;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 5.611,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 januari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 523,- per kind per maand wordt vastgesteld, waarbij het uitgangspunt is dat de vrouw de aanvrager en ontvanger is van de volledige kinderbijslag, met ingang van 1 januari 2026, althans met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, onder verrekening van de bedragen die de man sinds 1 januari 2026 daadwerkelijk aan de vrouw heeft betaald;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert – onder referte voor het overige –nog verweer tegen de verzochte zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Ook verzoekt de man zelfstandig nog:
- te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met uitzondering van de daarbij behorende cabin;
- dat een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, in die zin dat:
- de kinderen in de even weken bij de man zijn en in de oneven weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment op maandagochtend 08.30 uur is;
- de volgende vakantie- en feestdagenregeling zal gelden:
- voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- herfstvakantie: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
- meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;
- zomervakantie: in de even jaren de eerste drie weken bij de man en de tweede drie weken bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;
- kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;
- kerst: in de even jaren eerste kerstdag bij de man en tweede kerstdag bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;
- Vaderdag: vanaf de zaterdag daarvoor om 17.00 uur bij de man;
- Moederdag: vanaf de zaterdag daarvoor om 17.00 uur bij de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Toevertrouwing kinderen
De vrouw verzoekt om toevertrouwing van de kinderen. Omdat de man zich refereert aan het oordeel van de rechtbank en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich tegen toewijzing van het verzoek verzet, zal de rechtbank daartoe overgaan.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de voorlopige zorgregeling. Zij zijn het erover eens dat de kinderen in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw zijn, waarbij het wisselmoment op maandagochtend 08.30 uur plaatsvindt. Gedurende de schoolvakanties loopt deze regeling door, met uitzondering van de kerstvakantie en de zomervakantie. In de kerstvakantie zijn de kinderen in de even jaren in de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom. In de even jaren zijn de kinderen op kerstavond en eerste kerstdag bij de man en op tweede kerstdag tot en met de dag erna bij de vrouw en in de oneven jaren andersom. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de kinderen op Vader- en Moederdag bij de man respectievelijk de vrouw verblijven.
De rechtbank zal overeenkomstig de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen, aangezien niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, met uitzondering van de daarbij gelegen cabin. De vrouw is het hiermee eens. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Kinderalimentatie
Partijen zijn het erover eens dat de man voorlopig € 523,- per kind per maand aan de vrouw zal betalen. Partijen zijn het echter niet eens over de ingangsdatum. De man betaalt nu € 500,- per kind per maand, maar volgens de vrouw heeft hij meerdere keren de kinderalimentatie verrekend met andere uitgaven. Daarom stelt de vrouw dat de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 moet worden vastgesteld. De man betwist dit en stelt dat de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking moet worden vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de man sinds 1 januari 2026 het volledige bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald. Daarom acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking vast te stellen.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Als de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De vrouw stelt dat de partneralimentatie moet worden vastgesteld met ingang van 1 januari 2026, omdat haar verhuurinkomsten op deze datum zijn gestopt. Bovendien heeft het maanden geduurd voordat de man de relevante stukken heeft overgelegd. Dit moet volgens de vrouw voor zijn rekening en risico te komen. De man betwist dat hij pas na geruime tijd stukken heeft overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat de partneralimentatie wordt vastgesteld met ingang van de datum van de beschikking. Vanaf dit moment kon de man redelijkerwijs rekening houden met de te betalen bijdrage. De rechtbank zal de partneralimentatie daarom vaststellen met ingang van de datum van de beschikking, te weten 13 juli 2026.
Behoefte
In de stukken is de behoefte van de vrouw niet onderbouwd. Op de zitting heeft zij verklaard dat haar behoefte moet worden berekend aan de hand van de hofnorm. De man heeft dit niet betwist. De rechtbank zal daarom de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen. Aangezien partijen per januari 2025 feitelijk uiteen zijn gegaan, zal de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen berekenen aan de hand van de inkomensgegevens van 2024. De rechtbank zal daarbij de tarieven van 2025 hanteren.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 45.349,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw overlegde jaaropgave over 2024.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 2.582,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van een DGA is van belang welke middelen hij redelijkerwijs aan zijn onderneming kan onttrekken in de vorm van loon, inkomen uit aanmerkelijk belang (dividend) en opnamen in rekening-courant.
Partijen zij het erover eens dat voor de man moet worden uitgegaan van een loon van € 120.000,- bruto per jaar, zodat de rechtbank dat zal volgen. Zij verschillen echter van mening over de hoogte van het inkomen van de man uit aanmerkelijk belang en de opnamen in rekening-courant. Volgens de man moet worden uitgegaan van een bedrag van € 37.000,- bruto per jaar. Volgens de vrouw was geen sprake van inkomen uit aanmerkelijk belang, maar moet wel worden gerekend met opnamen in rekening-courant. Volgens de man bedroeg de rekening-courantschuld eind 2024 immers € 352.150,-. De onderneming bestond op dat moment ongeveer drie jaar, zodat het volgens de vrouw redelijk is om uit te gaan van een netto-onttrekking van € 100.000,- per jaar.
De rechtbank overweegt dat bij een gebrek aan de jaarrekeningen van de onderneming onvoldoende vast is komen te staan hoe de geldstromen in de onderneming precies lopen. Daarom zal de rechtbank in deze procedure beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat gelet op de stand van de rekening-courantschuld sprake moet zijn geweest van een forse jaarlijkse onttrekking uit de rekening-courant. De man geeft ook aan dat partijen in de afgelopen jaren regelmatig opnamen in rekening-courant hebben gedaan. Volgens hem is er in deze periode geen dividend uitbetaald. Bij gebrek aan exacte gegevens acht de rechtbank het redelijk om de (eventuele) uitkeringen aan dividend en de opnamen in rekening-courant gezamenlijk op een bedrag van € 75.000,- per jaar schatten en dit bedrag in de berekening op te nemen als inkomen uit aanmerkelijk belang. Om in de bodemprocedure tot een definitieve vaststelling van de partneralimentatie te komen, is het nodig dat de man niet alleen inzicht geeft in zijn belastingaangiftes, maar ook in de jaarrekeningen van de onderneming.
Tot slot staat vast dat partijen tijdens het huwelijk inkomen hebben genoten uit de verhuur van de bij de echtelijke woning gelegen cabin. De verhuur werd geregeld door de vrouw. Zij stelt dat de verhuurinkomsten werden opgevoerd als inkomen van de man en de man heeft dit niet betwist. Daarom zal de rechtbank de verhuurinkomsten van de cabin meenemen bij de berekening van het inkomen van de man. Daarbij gaat de rechtbank uit van de inkomsten zoals deze uit de door de man overgelegde belastingaangifte over 2024 volgen, te weten een bedrag van € 23.429,- waarvan 70% (€ 15.046,-) belast en 30% (€ 8.283,-) onbelast is.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op het moment van het huwelijk op € 11.598,- per maand.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 14.180,- (€ 2.582,- + € 11.598,-) per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken. Partijen hebben de behoefte van de kinderen in 2025 vastgesteld op € 1.700,- per maand, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Daarmee was een bedrag van € 12.480,- per maand (€ 14.180,- -/- € 1.700,-) beschikbaar voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 7.488,- netto per maand (60% van € 12.480,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte € 7.832,-.
Aanvullende behoefte
De vrouw stelt dat zij met haar eigen inkomen niet in de huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien en daarom behoeftig is. De man betwist dit. Hij voert aan dat de vrouw per 1 januari 2026 zonder geldige reden is gestopt met de verhuur van de cabin, waardoor zij moedwillig haar inkomen heeft verlaagd. Volgens hem moet daarom gerekend worden met een verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw betwist dit. Volgens haar is het per 1 januari 2026 fiscaal gezien voor haar niet mogelijk om haar WIA-uitkering te behouden en tegelijkertijd verhuurinkomsten uit de cabin te genieten. Bovendien zijn de werkzaamheden verbonden aan de verhuur voor haar te zwaar geworden.
Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 7.832,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen.
Om het netto besteedbaar inkomen van de vrouw te berekenen, gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 47.913,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw overlegde jaaropgave over 2025.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.714,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.
Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld.
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.778,-. Het aandeel van de man in deze behoefte bestaat uit zijn bijdrage van € 1.046,- per maand (€ 523,- per kind) vermeerderd met zijn verblijfskosten, ook wel de zorgkorting, van € 622,- (35% van € 1.778,-), te weten € 1.668,-. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen bedraagt dus € 110,- (€ 1.778,- -/- € 1.668,-).
Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 5.118,- netto per maand. Dat is € 10.108,- bruto per maand.
Draagkracht man
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht net als bij de berekening van de behoefte van de man uit van een loon van € 120.000,- bruto per jaar en inkomen uit aanmerkelijk belang van € 75.000,- bruto per jaar.
De man stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met zijn uitgaven voor inkomensvoorzieningen van € 36.697,-. De rechtbank overweegt dat in een voorlopige voorziening wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen. De man heeft voldoende onderbouwd dat dit het bedrag is dat hij daadwerkelijk uitgeeft aan zijn inkomensvoorzieningen. De rechtbank zal daarom aansluiten bij deze actuele situatie. Bovendien acht de rechtbank dit bedrag niet onredelijk, gelet op de leeftijd van de man en het feit dat hij ondernemer is. De rechtbank zal daarom rekening houden met zijn uitgaven voor inkomensvoorzieningen van € 36.697,-.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 9.032,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI en wordt de alimentatieplichtige geacht alle kosten van wonen hieruit te kunnen voldoen.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 2.974,- per maand (60% x [€ 9.032,- – (€ 2.710,- + € 1.365),-]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.668,- per maand in mindering gebracht. Daarnaast wordt de door de man betaalde hypotheekrente van € 1.543,- per maand voor ex-partneralimentatie met een fiscaal voordeel van € 579,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 342,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 547,- per maand.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 13 juli 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 547,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Kindbrief
De rechtbank zendt met gelijke post als deze beschikking een aparte brief aan de kinderen waarin zij de beslissing uitlegt. Zoals afgesproken met [de minderjarige 1] , zal deze brief naar haar vertrouwenspersoon worden gestuurd, die ook bij het kindgesprek aanwezig was. De inhoud van deze brief luidt als volgt:
Beste [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,
Een tijdje geleden heb ik met [de minderjarige 1] gepraat op de rechtbank. [de minderjarige 2] heeft mij een brief geschreven. [de minderjarige 1] heeft mij veel verteld over jullie vader en moeder. Zij heeft mij gevraagd niet te vertellen waarover ik met haar heb gepraat. Dat heb ik op de zitting dus niet gedaan. En in deze brief zal ik dat ook niet herhalen omdat jullie ouders de tekst van deze brief ook kunnen lezen.
Op de zitting heb ik met jullie ouders gesproken. En ik heb een beslissing genomen. Dit is een voorlopige beslissing. Later gaat er een andere rechter over de scheiding praten jullie ouders en die neemt een definitieve beslissing. Jullie ouders waren het erover eens dat de regeling wanneer jullie bij jullie vader of moeder zijn niet moest veranderen. Daarom heb ik besloten dat de regeling blijft zoals die nu is. Dus jullie zijn een week bij papa en dan een week bij mama. Er verandert voor nu dus voor jullie niks. Voor de zomervakantie geldt dat jullie de eerste drie weken bij papa zijn en daarna drie weken bij mama.
Verder heb ik nog een aantal beslissingen genomen over geld. Dat zijn zaken die tussen papa en mama spelen dus daar ga ik in deze brief verder niet op in.
Ik hoop dat er met deze beslissingen wat meer rust voor jullie komt. Dat er nu duidelijke afspraken zijn, zodat daarover geen ruzie meer zal zijn tussen jullie ouders. En dat er minder gedoe zal zijn over geld. Ik wens jullie een hele fijne zomervakantie!
Hartelijke groeten,
de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
bepaalt dat voorlopig de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden:
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] , met uitzondering van de daarbij behorende cabin;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 13 juli 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 523,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 13 juli 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 547,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.