RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7309
en
(gemachtigde: G. Chkadua).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit Den Haag (vergunninghoudster).
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een uitbouw aan de woning aan [adres] en over het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar tegen deze omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk, omdat het college dat besluit inmiddels heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft op 21 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een uitbouw aan de achterzijde van de woning aan [adres] . Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 21 maart 2023 verleend (het primaire besluit). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.
Met het besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door ir. [naam 1] , de gemachtigde van het college en vergunninghoudster, vergezeld door [naam 2] .
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en heeft partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Nadere stukken
4. Eiser heeft op 31 december 2025 twee schriftelijke stukken ingediend ter aanvulling van zijn eerder ingediende beroepsgronden. Het betreft spreekaantekeningen voor de zitting en een memo van ir. [naam 1] . Daarnaast heeft eiser de rechtbank op 13 januari 2026 een samenvatting van het dossier toegezonden.
De rechtbank ziet aanleiding om zowel de memo van Scholten als de samenvatting van het dossier buiten beschouwing te laten, omdat die in strijd met de goede procesorde te laat zijn ingediend. Dat betekent dat de rechtbank deze twee stukken niet bij haar beoordeling zal betrekken. Daartoe overweegt de rechtbank dat de memo kort voor de wettelijke termijn van tien dagen is ingediend, terwijl de memo dateert uit februari 2025. Niet valt in te zien waarom dat stuk niet eerder door eiser kon worden ingediend. Het college en vergunninghoudster hebben door dit late tijdstip van indienen onvoldoende kunnen reageren op de inhoud van de memo, die is opgesteld door een deskundige en technisch van aard is. Dit laatste geldt niet voor de spreekaantekeningen, waarvan de omvang en complexiteit beperkt is. De goede procesorde en artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan er naar het oordeel van de rechtbank wel aan in de weg dat de samenvatting van het dossier in de procedure wordt betrokken, omdat dit stuk slechts een dag voor de zitting is ingediend.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar
5. Omdat het college met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiser heeft beslist, heeft eiser geen procesbelang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiser kan met zijn beroep namelijk niet meer bereiken dan al is bereikt. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaren.
6. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar mede geacht te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit).
Het beroep tegen het bestreden besluit
7. Eiser betoogt dat de uitvoering van de uitbouw niet overeenkomt met de verleende omgevingsvergunning. Hij wijst erop dat de begane grondvloer en de gevelaanzichten niet zijn uitgevoerd conform de verleende omgevingsvergunning. Verder is er geen staalconstructie toegepast, hetgeen ook in afwijking is van de vergunde tekeningen.
De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van de verleende omgevingsvergunning. Indien de uitbouw niet conform de verleende omgevingsvergunning is uitgevoerd, doet dat immers geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. Of de uitbouw wordt uitgevoerd conform de verleende omgevingsvergunning is een kwestie van handhaving, die in deze procedure niet ter beoordeling staat.
8. Eiser betoogt dat het college niet heeft mogen concluderen dat het aannemelijk is dat de uitbouw voldoet aan de bepalingen van het Bouwbesluit 2012 zonder meer berekeningen uit te laten voeren. Omdat diverse berekeningen ontbreken, zoals een stabiliteitsberekening, een gewichtsberekening en een grondonderzoek, is de constructieve veiligheid van de uitbouw volgens eiser onzeker.
Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend, moet het college de aanvraag toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo moet het college beoordelen of aannemelijk is dat de aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat niet behoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.
De rechtbank overweegt dat het gemeentelijke team bouwconstructies op basis van de bij de aanvraag overgelegde stukken (waaronder een rapportage met constructieve berekeningen van constructiebureau Bogaards van 25 januari 2023) heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het college niet van de constructieve beoordelingen van de constructeurs heeft mogen uitgaan. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek en de juistheid van de op grond van de bevindingen getrokken conclusies. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit blijkt dat de constructieve berekeningen onjuist of onvolledig zijn.
De enkele stellingen van eiser dat bepaalde berekeningen ontbreken en dat de paalwapening/funderingsbalkwapening van de uitbouw onvoldoende verankeringslengte heeft, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, nu eiser niet heeft benoemd aan welke specifieke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 daarmee niet wordt voldaan en waarom. De opmerkingen in het beroepschrift van eiser over de constructieve veiligheid hebben bovendien betrekking op een eerdere versie van het rapport van constructiebureau Bogaards dan de versie van 25 januari 2023, die bij het bestreden besluit is gevoegd.
9. Voor zover eiser in zijn beroepschrift opmerkingen maakt over constructieve doorbraken elders in het pand, overweegt de rechtbank dat de omgevingsvergunning, die zich beperkt tot de uitbouw, daar geen betrekking op heeft. Die opmerkingen kunnen daarom niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
10. Gelet op het voorgaande, slagen de beroepsgronden tegen het bestreden besluit niet.
Dwangsom niet tijdig beslissen
11. Eiser stelt dat door het college een dwangsom is verbeurd op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, omdat hij het college op 13 oktober 2023 in gebreke heeft gesteld en het college pas op 31 oktober 2023 – dus niet binnen twee weken – op zijn bezwaar heeft beslist.
Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat het college de ingebrekestelling pas op 17 oktober 2023 heeft ontvangen. Het college heeft dus binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar beslist. Het college stelt zich daarom terecht op het standpunt dat geen dwangsom is verschuldigd.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.