ECLI:NL:RBDHA:2026:22615

ECLI:NL:RBDHA:2026:22615

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer SGR 24/3449
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep tegen een omgevingsvergunning voor het vervangen van de kozijnen in de voorgevel, het maken van een constructieve doorbraak en het slopen van een haardkanaal. Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaren tegen deze omgevingsvergunning. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat het college inmiddels een beslissing op bezwaar heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Of het bouwplan is uitgevoerd conform de omgevingsvergunning is een handhavingskwestie die niet aan de orde is in deze procedure. Het college heeft aannemelijk mogen achten dat aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit blijkt dat de constructieve berekeningen onjuist of onvolledig zijn. Ook mocht daarbij rekening worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van de vier naastgelegen panden. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/3449

en

(gemachtigde: mr. G. Chkadua).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit Den Haag (vergunninghoudster).

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het vervangen van de kozijnen in de voorgevel, het maken van een constructieve doorbraak en het slopen van het haardkanaal in de woning aan de [adres] in [plaats] en over het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar tegen deze omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar is niet-ontvankelijk, omdat het college dat besluit inmiddels heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 11 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van de kozijnen in de voorgevel, het maken van een constructieve doorbraak en het slopen van het haardkanaal in de achterkamer van de woning aan de [adres] in [plaats]. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 3 november 2023 verleend (het primaire besluit). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar.

Bij besluit op het bezwaar van eiser van 24 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit heroverwogen. De omgevingsvergunning is voor wat betreft het verwijderen van het haardkanaal op verzoek van vergunninghoudster ingetrokken. Voor wat betreft de constructieve doorbraak is de omgevingsvergunning gewijzigd, in die zin dat een balk met een zwaarder staalprofiel (HE120A in plaats van HE100A) wordt vergund. De omgevingsvergunning is ten aanzien van de te vervangen kozijnen in stand gelaten.

Eiser heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door ir. [naam 1], de gemachtigde van het college en vergunninghoudster, vergezeld door [naam 2].

Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en heeft partijen bericht later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.

Nadere stukken

4. Eiser heeft op 31 december 2025 twee schriftelijke stukken ingediend ter aanvulling van zijn eerder ingediende beroepsgronden. Het betreft spreekaantekeningen voor de zitting en een memo van ir. [naam 1]. Daarnaast heeft eiser de rechtbank op 13 januari 2026 een samenvatting van het dossier toegezonden.

De rechtbank ziet aanleiding om zowel de memo van [naam 1] als de samenvatting van het dossier buiten beschouwing te laten, omdat die in strijd met de goede procesorde te laat zijn ingediend. Dat betekent dat de rechtbank deze twee stukken niet bij haar beoordeling zal betrekken. Daartoe overweegt de rechtbank dat de memo kort voor de wettelijke termijn van tien dagen is ingediend, terwijl de memo dateert uit februari 2025. Niet valt in te zien waarom dat stuk niet eerder door eiser kon worden ingediend. Het college en vergunninghoudster hebben door dit late tijdstip van indienen onvoldoende kunnen reageren op de inhoud van de memo, die is opgesteld door een deskundige en technisch van aard is. Dit laatste geldt niet voor de spreekaantekeningen, waarvan de omvang en complexiteit beperkt is. De goede procesorde en artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan er naar het oordeel van de rechtbank wel aan in de weg dat de samenvatting van het dossier in de procedure wordt betrokken, omdat dit stuk slechts een dag voor de zitting is ingediend.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

5. Omdat het college met het bestreden besluit alsnog op het bezwaar van eiser heeft beslist, heeft eiser geen procesbelang meer bij zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Eiser kan met zijn beroep namelijk niet meer bereiken dan al is bereikt. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaren.

6. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar mede geacht te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 24 juni 2024 (het bestreden besluit).

Het beroep tegen het bestreden besluit

7. Eiser betoogt dat de uitvoering van de kozijnen niet overeenkomt met de verleende omgevingsvergunning.

De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van de verleende omgevingsvergunning. Indien de kozijnen door vergunninghoudster niet conform de verleende omgevingsvergunning zijn uitgevoerd, doet dat immers geen afbreuk aan de rechtmatigheid van de omgevingsvergunning. Of de kozijnen worden uitgevoerd conform de verleende omgevingsvergunning is een kwestie van handhaving, die in deze procedure niet ter beoordeling staat.

8. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning voor wat betreft de sloop van het haardkanaal niet had mogen intrekken zonder te verifiëren of er geen verandering aan de haard heeft plaatsgevonden. Hij vermoedt dat de haard wel is aangepast, omdat hij meer geluidsoverlast ervaart.

De rechtbank constateert dat de omgevingsvergunning voor het verwijderen van het haardkanaal met het bestreden besluit is ingetrokken. Vergunninghoudster heeft voor de sloop van het haardkanaal dus geen toestemming. Ook hier geldt dat de vraag of het haardkanaal nog aanwezig is een kwestie van handhaving is. Als eiser vermoedt dat vergunninghoudster het haardkanaal verwijderd heeft, dan kan eiser het college verzoeken om handhavend op te treden. Het college is dan gehouden om daarop een beslissing te nemen. Eiser heeft aangegeven geen vertrouwen te hebben in de gemeentelijke handhavers, maar de rechtbank ziet daarin geen reden voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning voor het verwijderen van het haardkanaal niet heeft mogen intrekken. Met het intrekken van de omgevingsvergunning op dit punt is immers juist aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen.

9. Eiser betoogt dat het niet aannemelijk is dat na de vergunde constructieve doorbraak aan het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Hij stelt daartoe dat vergunninghoudster meer constructieve doorbraken heeft aangebracht dan aangevraagd en vergund en dat de constructeur van vergunninghoudster er ten onrechte van uitgaat dat het pand deel uitmaakt van een blok van vier woningen, in welk geval de stabiliteit van het pand geborgd wordt door de buitengevels. Volgens eiser mag dit niet, omdat hier geen sprake is van een rijtjeswoning, omdat het pand op een later tijdstip is gebouwd dan de naburige panden. Omdat een constructieve koppeling met de naburige wooneenheden om krachten over te kunnen brengen ontbreekt, moet het pand zijn eigen stabiliteit kunnen verzorgen. Dat staat nu niet vast.

Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend, moet het college de aanvraag toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo moet het college beoordelen of aannemelijk is dat de aanvraag voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Dit betekent dat niet behoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.

De rechtbank overweegt dat het college dient te beslissen op de aanvraag. De aanvraag ziet op één constructieve doorbraak, namelijk die van de hal naar de kinderkamer. Omdat het ten aanzien van die doorbraak gaat om een legaliserende aanvraag (de doorbraak was al gerealiseerd ten tijde van de aanvraag), bracht in dit geval de bij de voorbereiding van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid mee dat het college zich ervan moest vergewissen dat de legaliserende aanvraag in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Het college heeft dat naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie ook gedaan. Daaruit is gebleken dat de aanvraag, en daardoor ook de verleende omgevingsvergunning, afweek van de feitelijke situatie: aangevraagd en vergund was een ligger HE100A, terwijl feitelijk een ligger HE120A was geplaatst. Dit is bevestigd door de aannemer van vergunninghouder, die ook een factuur heeft overgelegd waaruit dit blijkt. De stadsdeelinspecteur heeft dit ook ter plaatse gezien. Het college heeft vergunninghoudster daarom in de gelegenheid gesteld om de aanvraag zo te wijzigen dat die aanvraag betrekking heeft op wat er daadwerkelijk is gerealiseerd. Vergunninghoudster heeft vervolgens gewijzigde tekeningen ingediend, waarop de feitelijke situatie is weergegeven. Omdat het gaat om een wijziging van ondergeschikte aard, heeft het college de omgevingsvergunning op dit punt met het bestreden besluit gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bestreden besluit in zoverre met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Voor zover eiser stelt dat er naast of in afwijking van de verleende omgevingsvergunning andere doorbraken zijn uitgevoerd, betreft dat een handhavingskwestie. Daar ziet de aanvraag en daarmee ook de omgevingsvergunning immers niet op.

De constructeur van vergunninghoudster (constructiebureau [bedrijfsnaam]) heeft constructieve berekeningen uitgevoerd en daarover gerapporteerd in zijn rapporten van 3 oktober 2023 en 19 februari 2024. In deze rapporten komt hij tot de conclusie dat de stabiliteit van het pand na de doorbraak voldoet. Ook het gemeentelijke team bouwconstructies komt na beoordeling van de berekeningen tot deze conclusie. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het college niet van de constructieve beoordelingen van de constructeurs heeft mogen uitgaan. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek en de juistheid van de op grond van de bevindingen getrokken conclusies. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit blijkt dat de constructieve berekeningen onjuist of onvolledig zijn.

Voor zover eiser betoogt dat in de constructieve berekeningen ten onrechte rekening is gehouden met de stabiliteitsvoorziening van de vier naastgelegen panden, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 2.4, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat bij een niet in een woongebouw of logiesgebouw gelegen gebruiksfunctie bij het bepalen van het niet bezwijken als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 rekening kan worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van een op een aangrenzend perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort. Van een woongebouw of logiesgebouw als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is in dit geval geen sprake. Het gebouw bestaat weliswaar uit twee appartementen, maar van een gemeenschappelijke verkeersroute is geen sprake. De vier naastgelegen panden hebben dezelfde gebruiksfunctie, namelijk een woonfunctie. Anders dan eiser veronderstelt, vereist artikel 2.4, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 niet dat de panden op hetzelfde tijdstip gebouwd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich daarom terecht op het standpunt dat in de constructieve berekeningen rekening mag worden gehouden met de stabiliteitsvoorziening van de vier naastgelegen panden.

10. Gelet op het voorgaande, slagen de beroepsgronden tegen het bestreden besluit niet.

Dwangsom niet tijdig beslissen

11. Eiser stelt dat door het college een dwangsom is verbeurd op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, omdat hij het college op 15 april 2024 in gebreke heeft gesteld en het college vervolgens niet binnen twee weken op zijn bezwaar heeft beslist.

Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover een dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat op het moment dat eiser het college in gebreke stelde, de wettelijke beslistermijn nog niet was afgelopen. De beslistermijn liep namelijk op grond van artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb tot en met 19 april 2024, omdat er een bezwaarschriftencommissie is ingesteld en het college de beslissing met zes weken heeft verdaagd. Dit betekent dat de ingebrekestelling van eiser prematuur was. Dat eiser stelt dat het college heeft ingestemd met een kortere beslistermijn, maakt dit – wat daarvan ook zij – niet anders, aangezien de beslistermijn bij wet is bepaald. Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de vereisten van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Het college stelt zich daarom terecht op het standpunt dat geen dwangsom is verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen verlenen en dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.J. van der Ven

Griffier

  • mr. J.P. Brand

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand