ECLI:NL:RBDHA:2026:22639

ECLI:NL:RBDHA:2026:22639

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer NL26.30844, NL26.30846 en NL26.30848
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel, Bulgarije, internationale bescherming, interstatelijk vertrouwensbeginsel. belang van het kind, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.30844, NL26.30846 en NL26.30848

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

mede namens hun minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , v-nummer: [nummer]

[minderjarige 2] , v-nummer: [nummer]

[minderjarige 3] , v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (zoals gold voor 12 juni 2026). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat een samenvatting van de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voldoende heeft onderbouwd dat eisers bescherming hebben in Bulgarije, of eisers bij terugkeer naar Bulgarije het risico lopen om terecht te komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie, of de minister de problemen van eisers naar aanleiding van de bedreigingen ongeloofwaardig mocht achten en of de minister voldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 juni 2026 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De bestreden besluiten

3. De minister heeft de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers al internationale bescherming genieten in Bulgarije. Er is niet gebleken dat eisers in Bulgarije geen toegang tot huisvesting of sociale bijstand hebben. Ook is niet gebleken dat eisers bij terugkeer naar Bulgarije terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Bovendien hebben eisers onvoldoende moeite gedaan om hun rechten in Bulgarije te effectueren. Eisers kunnen in Bulgarije de bescherming inroepen van de (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties.

Toetsingskader

4. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met het betreffende land hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.

Heeft de minister voldoende onderbouwd dat eisers bescherming hebben in Bulgarije?

5. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waaruit blijkt dat zij internationale bescherming in Bulgarije genieten. Eisers zijn in Bulgarije niet gehoord over hun asielmotieven. Tijdens de gehoren wisten eisers niet het verschil tussen bescherming en gezinshereniging. Eisers hebben consistent verklaard dat zij op grond van gezinshereniging zijn toegelaten in Bulgarije.

De minister stelt zich op het standpunt dat eisers internationale bescherming genieten in Bulgarije. De minister heeft onderzocht of eisers sinds 12 april 2024 internationale bescherming hebben in Bulgarije. Daarbij baseert de minister zich op de informatie die beschikbaar is bij de Bulgaarse autoriteiten. Dat hier geen stukken over in het dossier zitten, maakt dit niet anders. Hij beschikt ambtshalve over de noodzakelijke gegevens om een rechtsgeldige beslissing te nemen, aldus de minister.

Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister de stukken die aantonen dat eisers bescherming hebben in Bulgarije laat heeft ingediend. Deze stukken zijn namelijk pas in beroep gekomen. Om die reden slaagt het betoog van eisers, aangezien zij in beroep terecht hebben aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat zij bescherming hebben in Bulgarije. Dit is echter in beroep rechtgezet, omdat de minister de stukken alsnog heeft ingediend. Hierdoor is het beroep gegrond en bekijkt de rechtbank in deze uitspraak of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.

Lopen eisers bij terugkeer naar Bulgarije het risico om terecht te komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie?

6. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Bulgarije geen risico lopen om terecht te komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. De enkele verwijzing naar het AIDA-rapport is hiervoor onvoldoende. Deze verwijzing maakt niet inzichtelijk hoe dit rapport specifiek op eisers van toepassing is. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de informatie in het AIDA-rapport aanleiding is voor de conclusie dat eisers een reëel risico lopen om bij terugkeer naar Bulgarije terecht te komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Hierbij verwijzen eisers naar het Informatiebericht 2021/56 (IB 2021/56). De minister heeft in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eisers niet als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Tenslotte is de enkele tegenwerping dat eisers zich in Bulgarije onvoldoende hebben ingespannen om hun rechten te effectueren in strijd met het IB 2021/56. Hierbij is van belang dat eiseres medische behandeling ondergaat in Nederland.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Bulgarije in een toestand van verregaande materiële deprivatie terecht komen. Het enkele feit dat uit het AIDA-rapport blijkt dat statushouders in Bulgarije geen extra ondersteuning krijgen bij het vinden van huisvesting of het verkrijgen van sociale bijstand, onderwijs en medische zorg, is een praktische beperking. Dit toont niet aan dat eisers in Bulgarije geen bescherming kunnen krijgen of dat zij materieel gevaar lopen. Van eisers mag worden verwacht dat zij de reguliere procedures benutten om woonruimte, bijstand en andere voorzieningen te krijgen. Van eisers mag ook worden verwacht dat zij bij mogelijke problemen de hulp inroepen van de autoriteiten in Bulgarije. Niet is gebleken dat zij eisers niet willen helpen. Op de zitting heeft de minister erop gewezen dat niet is gebleken dat de behandelingen die eiseres momenteel in Nederland ontvangt niet in Bulgarije geboden kunnen worden. Bovendien heeft eiseres in Bulgarije niet eerder (medische) hulp van de autoriteiten gevraagd. Ook hebben eisers niet onderbouwd waaruit volgt dat zij als bijzonder kwetsbaar aangemerkt moeten worden. De verwijzing van eisers naar het IB 2021/56 maakt dit niet anders. Op de zitting heeft de minister terecht gesteld dat dit is meegenomen in vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat uit de informatie van het AIDA-rapport niet volgt dat de drempel uit het arrest-Ibrahim wordt gehaald. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

Heeft de minister de problemen van eisers naar aanleiding van de bedreigingen ongeloofwaardig mogen achten?

7. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat de bedreigingen die eisers hebben ontvangen ongeloofwaardig zijn. Eisers zijn zowel in Syrië als in Bulgarije bedreigd. Hun zoon is door familieleden van de bedreiger ontvoerd en vermoord. Die verklaringen zijn ten onrechte niet geloofwaardig geacht. De enkele tegenwerping dat eisers geen aangifte hebben gedaan bij de Bulgaarse autoriteiten is onvoldoende onderbouwd. Hiermee heeft de minister niet onderbouwd waarom wordt voldaan aan artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Bovendien moet de verdwijning van de zoon van eisers in combinatie worden gezien met de omstandigheid dat hun andere zoon, die destijds elf jaar was, door de Bulgaarse autoriteiten aan hun lot is overgelaten. Ook reeds hierom voldoen eisers niet aan de voorwaarden uit artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat wat eisers hebben verklaard over de verdwijning van hun zoon als zodanig is meegenomen in de beoordeling van hun asielaanvragen. Eisers hebben geen nieuwe informatie aangedragen die leidt tot andere inzichten. Het betoog van eisers over artikel 3,106a, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van het Vb 2000, maakt dit niet anders.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het belang van het kind?

8. Eisers betogen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Eisers hebben drie minderjarige kinderen, voor wie een (gedwongen) terugkeer naar Bulgarije ingrijpende gevolgen heeft. Ook is een terugkeer schadelijk voor hun ontwikkeling.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat in het bestreden besluit niet expliciet op het belang van het kind is ingegaan. Op de zitting heeft de minister dit echter voldoende hersteld. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers bescherming hebben in Bulgarije. Hieruit volgt dat zij hetzelfde worden behandeld als mensen met de Bulgaarse nationaliteit. Dit impliceert dat ook de rechten van het kind gewaarborgd worden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers bescherming hebben in Bulgarije. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, aangezien uit rechtsoverweging 4.2 volgt dat het motiveringsgebrek in beroep voldoende is hersteld.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot betaling van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas

Griffier

  • mr. F.E. Brokke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand