Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/309267-25
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G.P. Glas naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen en/of in en/of
op de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het knijpen in en/of het voelen aan de bil(len) van die [slachtoffer] , onder de kleding, en/of
- het betasten van de borsten van die [slachtoffer] , onder de kleding, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van deverdediging.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken vaak worden gekenmerkt door beperkt bewijs, omdat bij de veronderstelde seksuele handelingen doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn, te weten de aangeefster en de verdachte. Indien de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, is vaak de verklaring van de aangeefster het enige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring in zedenzaken niet is vereist dat de verkrachting als zodanig door ander bewijs wordt bevestigd. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten wordt bekrachtigd door ander bewijsmateriaal, mits dit bewijs uit een andere bron afkomstig is en er geen te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring en het overige bewijs. Dit betekent dat in een zedenzaak een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van de aangeefster, voldoende wettig bewijs kan opleveren.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en vervolgens of deze voldoende steun vinden in een ander bewijsmiddel, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
De betrouwbaarheid van de verklaringen
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en overweegt daartoe als volgt. De aangeefster heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris consistent, duidelijk en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen van de verdachte. Bij haar oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster betrekt de rechtbank verder dat de aangeefster direct na het incident de politie heeft gebeld en vervolgens meteen haar moeder over de gebeurtenis heeft verteld. De rechtbank stelt verder vast dat er sprake was van een jarenlange vriendschappelijke relatie tussen de verdachte en de aangeefster en dat door niemand enige denkbare aanleiding voor de aangeefster is genoemd om niet naar waarheid over het gebeurde te verklaren. Een motief om met haar verklaring de vriendschap op zijn minst ernstige schade toe te brengen zou aan de betrouwbaarheid van haar verklaring afbreuk kunnen doen, maar daar is niets van gebleken. De rechtbank beschouwt de verklaringen van de aangeefster al met al als betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Het steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in een ander zelfstandig bewijsmiddel. Wat de rechtbank opvalt is dat de verklaringen van de aangeefster met betrekking tot de plaatsen waar de verdachte haar lichaam met zijn hand of vingers zou hebben aangeraakt, volledig ondersteund worden door het rapport van het NFI van 29 januari 2026, terwijl de aangeefster deze verklaringen aflegde voordat dat rapport was opgesteld. Uit de rapportage blijkt, kort samengevat, dat op de binnenzijde van de binnenste schaamlippen van de aangeefster en op haar linker heup/bil DNA is aangetroffen dat met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid afkomstig is van de verdachte.
De verdediging heeft bepleit dat het DNA van de verdachte op het lichaam van de aangeefster terechtgekomen is door middel van een indirecte overdracht. Doordat de verdachte en de aangeefster elkaar een knuffel zouden hebben gegeven, de hele avond bij elkaar zijn geweest en in hetzelfde bed hebben geslapen, zou het DNA van de verdachte in het bed en mogelijk op de handen van de aangeefster terecht zijn gekomen. Door middel van overdracht zou het DNA van de verdachte dat op de handen van de aangeefster zat vervolgens door eigen aanraking op haar binnenste schaamlippen terecht zijn gekomen.
De rechtbank acht het onaannemelijk dat het DNA van de verdachte, op de manier zoals door de verdediging geschetst, op en in het lichaam van de aangeefster terechtgekomen is. Dat geldt in het bijzonder voor het DNA dat is aangetroffen op de binnenzijde van de binnenste schaamlippen van de aangeefster. De rechtbank betrekt hierbij dat de aangeefster op het moment van het incident een string, een broek en een t-shirt droeg. Bovendien komen, zoals gezegd, de plekken waar het DNA van de verdachte is aangetroffen exact overeen met de, voorafgaand aan het bekend worden van het DNA-onderzoek, door de aangeefster afgelegde verklaring over de plekken waar de verdachte haar heeft aangeraakt. De rechtbank kent dan ook een hoge bewijswaarde toe aan de DNA-resultaten.
Op basis van de genoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte de aangeefster de ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht.
Vervolgens dient te rechtbank te beoordelen of sprake is van opzet- of schuldverkrachting.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
Uit de verklaringen van de aangeefster blijkt dat zij meerdere keren aan de verdachte duidelijk heeft gemaakt dat zij geen fysiek (seksueel) contact met de verdachte wilde, door hem weg te duwen met haar elleboog, zijn hand weg te slaan en van hem weg te draaien in bed. Ook voorafgaand aan het incident, toen de verdachte aan haar vroeg of hij met een arm om haar heen mocht liggen, heeft zij aangegeven dat zij dit niet wilde. Hieruit volgt dat de aangeefster duidelijk te kennen heeft gegeven het (seksuele) contact niet te willen. De verdachte heeft desondanks de ten laste gelegde seksuele handelingen bij de aangeefster verricht. Bij die stand van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezenverklaard dat de verdachte, in ieder geval in voorwaardelijke zin, wist dat bij de aangeefster de wil tot die seksuele handelingen ontbrak. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van opzetverkrachting.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 2 augustus 2025 te Leidschendam-Voorburg, met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen en in en op de vagina van die [slachtoffer] en
- het knijpen in en het voelen aan de bil(len) van die [slachtoffer] , onder de kleding, en
- het betasten van de borst van die [slachtoffer] , onder de kleding, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod met de aangeefster.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafoplegging.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. De verdachte en de aangeefster hadden een vriendschappelijke relatie en hij bleef, na samen een avond uit te zijn geweest, bij de aangeefster slapen. Toen de aangeefster sliep, heeft de verdachte seksuele handelingen bij haar verricht. De aangeefster had vooraf al aangegeven geen fysiek contact te willen in bed en heeft later, op het moment dat zij wakker werd doordat de verdachte aan haar zat, meerdere malen geprobeerd duidelijk te maken dat zij niet gediend was van het fysieke (seksuele) contact. Met zijn handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de aangeefster. Daarnaast heeft de verdachte met zijn handelen het vertrouwen van de aangeefster in de verdachte door hun jarenlange vriendschap onherstelbaar beschadigd. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Dit heeft geen invloed op de op te leggen straf.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 22 juni 2026. Doordat de verdachte geen medewerking wilde verlenen aan het opstellen van een reclasseringsrapport is alleen een korte rapportage uitgebracht. Door het gebrek aan informatie heeft de reclassering gebruik gemaakt van het op zeden toegespitste risicotaxatie-instrument Static-99R. Hieruit volgt dat sprake is van een laag tot matige kans op recidive van een zedendelict. Gezien de aard van het ten laste gelegde delictgedrag, de nog jonge leeftijd van de verdachte en de mogelijk grote gevolgen van een veroordeling voor zijn toekomst, acht de reclassering het wenselijk om verder te onderzoeken waar het grensoverschrijdende gedrag vandaan is gekomen en in te zetten op het voorkomen van recidive in de toekomst. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling.
Deels voorwaardelijke gevangenisstraf
Gelet op wat hiervoor is overwogen en op de straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met de aangeefster.
7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, omdat sprake is van een aantasting in haar persoon op andere wijze als bedoeld in dat artikel. De aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen met zich dat sprake is van een dergelijke aantasting. Voor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij categorie c (tamelijk ernstig) van onderdeel 15.1 (verkrachting) van de Rotterdamse schaal. Deze categorie heeft een bandbreedte van € 2.500,00 tot € 7.500,00. Weliswaar zijn de namens de benadeelde beschreven gevolgen van de verkrachting invoelbaar, maar in die gevolgen en in de ernst van het bewezenverklaarde feit ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te sluiten bij de bovenkant van die bandbreedte. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.500,00.
De wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
opzetverkrachting;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot zes maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht. De veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van forensische polikliniek de Waag of soortgelijke instelling op, door of namens de behandelaar(s) aan te geven, tijdstippen en plaats, zolang de behandelaar(s) of de reclassering dit noodzakelijk acht(en). De veroordeelde zal daartoe tevens meewerken aan een eventuele intakeprocedure. De veroordeelde zal zich gedurende deze behandeling houden aan de aanwijzingen van de behandelaar(s);
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal leggen of laten leggen met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
vordering benadeelde partij
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent en mr. L.A. Duijm, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2026.