Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/115163-26 en 22/002107-22 (tul)
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 30 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Greevenbroek en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Rens naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 30 juli 2026 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 januari 2026, te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en een gouden kelk, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen sieraden en een gouden kelk onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026134447, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 141).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 30 juli 2026;
het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , opgemaakt op 26 januari 2026 (p. 6-7);
het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2026 (p. 10);
het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt op 13 februari 2026 (p. 57-58);
een geschrift, te weten een Rapport Forensisch DNA-onderzoek van 12 februari 2026 (p. 80-84).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 23 januari 2026, te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in een woning, te weten de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en een gouden kelk die aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen sieraden en een gouden kelk onder zijn bereik heeft gebracht.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in
een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee
jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het reclasseringsrapport van 21 juli 2026 volgt dat de verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 7 mei 2026 gemotiveerd heeft ingezet bij de reclassering en zich houdt aan de afspraken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden voorwaardelijke maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van sieraden en een gouden kelk. Een dergelijk feit brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg, te meer nu de goederen zijn gestolen uit een woning van een ouder echtpaar. Het is voor de slachtoffers bijzonder onaangenaam om te moeten leven met de wetenschap dat er een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. De slachtoffers hebben ter terechtzitting toegelicht dat er gevoelens van angst en onveiligheid zijn ontstaan door het handelen van de verdachte. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor diefstal. Ook blijkt daaruit dat hij de diefstal heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerdere veroordeling.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 21 juli 2026. Hieruit volgt dat het recidiverisico hoog wordt ingeschat. Er is sprake van een zorgelijk delictpatroon. De omvang en frequentie van de gepleegde delicten, de relatief jonge leeftijd waarop het delictgedrag is aangevangen en het gegeven dat sprake is van zowel openlijke als heimelijke delicten, indiceren een negatieve prognose ten aanzien van toekomstig delictgedrag. De verdachte is meermaals gerecidiveerd in eerder opgelegde proeftijden en heeft zich tot op heden onvoldoende ontvankelijkheid getoond voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering en het terugdringen van recidiverisico. De verdachte heeft bij de reclassering aangegeven zich deze keer open te willen stellen en mee te willen werken aan hulpverlening. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 7 mei 2026 heeft de verdachte een voorzichtige positieve verandering laten zien in zijn motivatie en houding. Om die reden wil de reclassering de verdachte nog een kans geven om deze ontwikkeling voort te zetten. De reclassering heeft daarom geadviseerd om - bij een veroordeling - aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke ISD-maatregel, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding, het meewerken aan het aflossen van schulden en beheersen van zijn middelengebruik.
De voorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld (dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd). Het door de verdachte begane feit is daarnaast begaan na volledige tenuitvoerlegging van deze straffen.
De rechtbank overweegt verder dat de verdachte voldoet aan de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank acht het in dit geval van belang dat de verdachte doorgaat met het reeds gestarte reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden. Die voorwaarden zijn onder meer gericht op het behouden van dagbesteding en het aflossen van schulden en daarmee op het voorkomen van recidive. Daar is niet alleen de verdachte, maar ook de samenleving bij gebaat. De verdachte heeft op de terechtzitting van 30 juli 2026 verklaard dat hij de reclasseringscontacten en zijn vrijwilligerswerk graag wenst voort te zetten en dat hij bereid is zich aan de voorwaarden te houden indien dat van hem wordt gevraagd. De rechtbank zal daarom de verdachte nog een laatste kans geven en conform het advies van de reclassering bepalen dat de ISD-maatregel voorwaardelijk wordt opgelegd voor de duur van twee jaar en met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Als de verdachte zich niet houdt aan één van de voorwaarden, dan kan de ISD-maatregel alsnog ten uitvoer worden gelegd.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen
De vorderingen tot schadevergoeding
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 7.745,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 750,00 aan immateriële schade en € 6.995,00 aan (nog niet op grond van een verzekering vergoede) materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, zo begrijpt de rechtbank, de gevorderde materiële schade slechts toe te wijzen voor zover deze verband houdt met het bewezenverklaarde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 2]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending, te weten een diefstal uit de woning van de benadeelde partij, en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij niet zonder meer met zich brengen dat bij de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het is in beginsel aan de benadeelde partij om zo een aantasting met concrete gegevens te onderbouwen. Daarin is de benadeelde partij (nog) niet geslaagd. Weliswaar zijn de angst als gevolg van de inbraak en het verdriet over het verlies van de sieraden invoelbaar, maar dat is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een aantasting in de persoon als hiervoor bedoeld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1]
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdachte niet voldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank verwijst daartoe naar dat wat hiervoor ten aanzien van de vordering van Bes is overwogen.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 6.995,00 aan materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.995,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] .
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 19 juni 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 22/002107-22 door het gerechtshof te Den Haag op 26 april 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen gelet op de gevorderde ISD-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment, in het licht van de in deze zaak opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel, niet in de rede ligt. De vordering zal worden afgewezen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38m, 38n, 38p en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
diefstal, in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
bepaalt dat de maatregel niet zal ten uitvoer worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
- meldt bij Reclassering Leger des Heils op het adres Binckhorstlaan 287 A
2516 BC te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- onder behandeling zal stellen van Humanitas of soortgelijke instelling op, door of namens de behandelaar(s) aan te geven, tijdstippen en plaats, zolang de behandelaar(s) of de reclassering dit noodzakelijk acht(en). De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictanalyse, psychosociaal functioneren en gedragsverandering. De veroordeelde zal daartoe tevens meewerken aan een eventuele intakeprocedure. De veroordeelde zal zich gedurende deze behandeling houden aan de aanwijzingen van de behandelaar(s);
- inspant voor het vinden en behouden van een betaalde of onbetaalde dagbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren
beheersen van cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de materiële schade toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 6.995,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
maatregel tot schadevergoeding
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.995,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 januari 2026, tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 59 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
vordering tenuitvoerlegging
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 22/002107-22 voorwaardelijke opgelegde straf af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.C. Berg, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent en mr. L.A. Duijm, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2026.