RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41419
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de ophouding te lang geduurd?
3. Eiser voert aan dat uit de stukken die in het rechtbankdossier staan, niet duidelijk blijkt of de ophouding te lang heeft geduurd. In het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) staat namelijk dat eiser op 22 juli 2026 om 08:00 uur is overgenomen en opgehouden. In het formulier bijzonderheden (HV21) staat echter dat eiser op 22 juli 2026 om 08:00 uur is overgenomen en diezelfde dag om 10:15 uur is opgehouden. Dit is tegenstrijdig. Indien de ophouding heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026 om 08:00 uur, betekent dit dat de termijn van zes uur is overgeschreden, aangezien de ophouding diezelfde dag eindige om 15:31 uur.
Uit artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 volgt dat de termijn van ophouding begint te lopen op het moment dat een vreemdeling is aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding niet langer dan zes uur mag duren. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) – dat onderdeel uitmaakt van het rechtbankdossier – volgt dat eiser op 22 juli 2026 om 10:15 uur aankwam op een plaats bestemd voor verhoor en dat de ophouding diezelfde dag om 15:31 uur is beëindigd met de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De ophouding heeft in totaal ongeveer vijf uur en een kwartier geduurd. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de termijn van zes uren. Het proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om niet van de juistheid van dat ondertekende proces-verbaal uit te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het inreisverbod onrechtmatig?
4. Eiser voert aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat zijn vrouw en kind in [plaats] ( [land] ) wonen.
Aan eiser is op 22 juli 2026 een inreisverbod opgelegd. Hierin is opgenomen dat, binnen vier weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt, beroep tegen dit besluit kan worden ingediend. In deze zaak ligt de met een beroep gelijk te stellen kennisgeving van de opgelegde maatregel van bewaring voor. Die kennisgeving kan niet worden gelijkgesteld met een beroep tegen het inreisverbod. De beoordeling of het inreisverbod rechtmatig aan eiser is opgelegd, ligt in deze procedure dan ook niet ter toetsing voor.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.