RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , v-nummer [x] , eiseres
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41587, NL26.41527 en NL26.41523
[eiser 1] , v-nummer [x] , eiser
[eiser 2] , v-nummer [x] , eiser
samen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluiten van 23 juli 2026 (de bestreden besluiten) is aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister van Asiel en Migratie (minister) heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door eisers ingestelde beroepen. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding gevoegd op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van de beroepen van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregelen in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 de beroepen gegrond.
2. Op grond artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Identieke verklaringen gehoor
3. De rechtbank stelt vast dat eisers de beroepsgrond dat de vrijheidsontnemende maatregelen onzorgvuldig zijn voorbereid, omdat niet waarschijnlijk is dat eisers tijdens de gehoren volledig identieke verklaringen hebben afgelegd, ter zitting hebben laten vallen.
Kan de maatregel van grensdetentie samengaan met de screening op grond van de Screeningsverordening?
4. Eisers betogen dat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 geen toereikende wettelijke grondslag biedt voor grensdetentie tijdens de screeningsfase op grond van de Screeningsverordening. Volgens eisers zijn de screening en de asielgrensprocedure strikt gescheiden fasen en kan bewaring tijdens de screening alleen plaatsvinden indien de nationale wettelijke grondslag voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van de Screeningsverordening. Omdat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 deze voorwaarden niet bevat, ontbeert de maatregel volgens eisers een wettelijke grondslag. Daarnaast is volgens eisers onduidelijk wanneer de screening is geëindigd en de grensprocedure is aangevangen, zodat de gestelde onrechtmatigheid van de bewaring tijdens de screening doorwerkt in de daaropvolgende grensbewaring tijdens de behandeling van de asielaanvraag.
Tijdens de zitting heeft de ambtenaar desgevraagd aangegeven dat, in het geval van eisers, uit de daartoe opgemaakt processen-verbaal van bevindingen Screeningsverordening volgt dat de screening op 23 juli 2026 om 08:25 uur is afgenomen en voltooid. Verder heeft de ambtenaar tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 30 juli 2026, en toegelicht dat de screening op grond van de Screeningsverordening samen kan gaan met een maatregel van bewaring.
De rechtbank volgt dit standpunt van de ambtenaar. De ambtenaar heeft de bevoegdheid om eisers, nadat zij aan de grens om asiel hebben verzocht, een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 op te leggen. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 alsmede uit artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.5 van de hiervoor benoemde uitspraak van 30 juli 2026. De screening kan dus, anders dan eisers veronderstellen, samengaan met een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank voegt hieraan toe dat bewaring ter fine van het afronden van de screeningsprocedure aan de orde is zolang een vreemdeling nog géén toegang is verstrekt tot de asiel(grens)procedure. Dit volgt in zekere zin ook uit artikel 10, tweede lid, van de Screeningsverordening, waarin is neergelegd dat tijdens de screening er op moet worden toegezien dat een effectieve toegang tot de asielprocedure niet wordt gefrustreerd. Die situatie doet zich in het geval van eisers niet voor. Zij waren ten tijde van het opleggen van de maatregel reeds toegelaten tot de asielgrensprocedure. De ambtenaar was dan ook bevoegd om over te gaan tot bewaring in verband met de uitgestelde toegang tijdens de grensprocedure.
Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Van belang is uiteraard wel dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat heeft beoordeeld of eisers detentiegeschikt zijn en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet de ambtenaar vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna.
Moet de ambtenaar motiveren dat is voldaan aan de randvoorwaarden in artikel 6 van de Screeningsverordening?
5. Eisers voeren verder aan dat de ambtenaar in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij een gevaar vormen voor de openbare orde en er een risico is op onderduiken. In het proces-verbaal van gehoor worden geen omstandigheden/redenen genoemd waarom zou moeten worden aangenomen dat eisers een gevaar vormen voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid, de internationale betrekkingen van één van de lidstaten of de nationale veiligheid of de nationale veiligheid.
De rechtbank overweegt dat een gevaar voor de openbare orde en een risico op onderduiken geen wettelijke vereisten zijn voor het opleggen van de maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Daarvoor is slechts vereist dat eisers aan de grens een asielaanvraag hebben gedaan en de ambtenaar heeft besloten om deze asielaanvraag in de asielgrensprocedure te behandelen. De rechtbank ziet gelet op hetgeen is bepaald in artikel 10, vierde lid, onder d, van de Opvangrichtlijn geen aanleiding om op dit punt af te wijken van de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
Had de ambtenaar moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel?
6. Eisers voeren aan dat bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de grensbewaking in verband met de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure het grensbewakingsbelang niet mag worden betrokken. Eisers wijzen ter onderbouwing van deze stelling op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 17 juli 2026.
De rechtbank constateert dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op grond van het bepaalde in artikel artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Verder wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin, samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen ook op andere plaatsen in de Europese regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid, onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de preambule en artikel 13 van de Schengengrenscode. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. De stelling van eisers dat de ambtenaar het grensbewakingsbelang niet mag betrekken, volgt de rechtbank daarom niet. Nu niet is gebleken dat eisers detentieongeschikt of zich anderszins bijzondere omstandigheden voordoen, heeft de ambtenaar niet hoeven volstaan met toepassing van een lichter middel.
Kan de lounge worden aangemerkt als geschikte locatie?
7. Eisers voeren aan dat zij op grond van artikel 4.6 van het Vb 2000 een aanwijzing hebben gekregen om zich voor één nacht op te houden in de lounge. De screening was toen volgens eisers al aangevangen. Dit is geen geschikte screeningslocatie in de zin van de Screeningsverordening. Eisers menen dat het gaat om een vreemdelingrechtelijk voortraject dat bij de beoordeling van het beroep tegen de grensbewaring kan worden betrokken. Eisers menen dat indien het verblijf in de lounge als een gebrek wordt aangemerkt en dit wordt gepasseerd, een proceskostenveroordeling uitgesproken dient te worden.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018 volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. Uit de stukken volgt dat eisers op 22 juli 2026 om 19:15 uur op grond van artikel 4.6 van het Vb 2000 aan aanwijzing hebben gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Uit de stukken volgt verder dat eisers vlucht op 22 juli 2026 om 17:20 uur op Schiphol is geland en dat zij op 23 juli 2026 om 13:00 uur zijn overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol. De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de Koninklijke Marechaussee pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de internationale lounge op Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eisers verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregelen op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.