RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42115
(gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
Bestaan er voldoende gronden van bewaring?
4. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting de grond s heeft laten vallen, omdat deze onvoldoende is gemotiveerd. De overige gronden die zijn tegengeworpen: a, b, d, e, f, j en r, zijn echter feitelijk juist en, waar nodig, voldoende toegelicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen en aan eiser worden tegengeworpen. Dit heeft eiser ook niet bestreden.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Ambtshalve merkt de rechtbank op dat uit het dossier blijkt dat eiser een origineel Marokkaans identiteitsbewijs heeft overgelegd aan de politie. Tijdens de zitting geeft de minister aan dat, ook wanneer een Marokkaans identiteitsbewijs aanwezig is, er nog steeds een laissez-passer (lp) nodig is om de terugkeer van eiser te kunnen realiseren. Desondanks geeft de minister aan de regievoerder op de hoogte te zullen stellen van het bestaan van het originele Marokkaanse identiteitsbewijs. Hierdoor kan dit identiteitsbewijs worden toegevoegd aan de reeds ingediende aanvraag voor een lp, wat het proces van terugkeer mogelijk kan bespoedigen.
Medische toestand
6. Eiser heeft op de zitting verklaard dat zijn medische gesteldheid door de detentie achteruit gaat. Eiser kan zich voor eventuele medische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet gesteld noch gebleken is dat deze voorziening niet adequaat is voor eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij zich verder refereert aan het oordeel van de rechtbank. In de door de minister en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.