RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42182
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Duurt de grensdetentie te lang?
3. Eiser voert aan dat de grensdetentie te lang duurt. Aan de grensdetentie ligt de screeningsprocedure ten grondslag. De screeningsprocedure is echter al afgerond en daarom zou de grensdetentie ook moeten eindigen. Duidelijk is nu welke route de asielprocedure moet gaan volgen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de grensdetentie is opgelegd omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van toegang. Eiser heeft op 27 juli 2026 aan de buitengrens op de luchthaven Schiphol zijn asielaanvraag gedaan, waardoor er een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd kan worden. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Anders dan eiser lijkt te stellen is het doel van een dergelijke maatregel de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure. Op de zitting geeft de ambtenaar verder aan dat het nader gehoor is afgenomen op 2 augustus 2026, eiser tot 5 augustus 2026 de mogelijkheid heeft om correcties en aanvullingen in te dienen en verwacht wordt dat op 7 augustus 2026 een besluit wordt genomen op de asielaanvraag. Dat betekent dat de ambtenaar binnen 12 dagen de asielaanvraag van eiser heeft behandeld en de maximale duur van de grensdetentie bij lange na niet zal overschrijden.
Had kunnen volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de ambtenaar kan kunnen volstaan met de oplegging van een lichter middel. De ambtenaar heeft een beeld van de te volgen asielprocedure dankzij de screening en er is al een nader gehoor afgenomen. Bovendien is eisers nationaliteit en identiteit bekend en is hij in het bezit van documenten. Eiser kan worden opgevangen in een asielzoekerscentrum en hem kan een dagelijkse meldplicht worden opgelegd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bijzondere omstandigheden er niet en overweegt daartoe als volgt.
Voorafgaand aan de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd of er feiten en/of omstandigheden zijn, die maken dat in zijn geval had moeten worden afgezien van grensdetentie. Hierop antwoordde eiser dat deze feiten of omstandigheden er niet zijn. De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Van zodanig bijzondere omstandigheden is ook op de zitting niet gebleken. Dat wat eiser in dit verband naar voren heeft gebracht, kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.