RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42692
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Wel is er één gebrek geconstateerd in het voortraject. Het is namelijk onduidelijk op basis van welke grondslag de ophouding is geschied. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 28 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. R.M. Seth Paul als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vb 2000 kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6 van het Vb 2000 zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
Mocht de minister gebruik maken van handboeien?
4. Eiser voert aan dat er ten onrechte handboeien zijn gebruikt tijdens het transport naar de plaats van ophouding. In het proces-verbaal staat dat er gebruik is gemaakt van handboeien omdat er was medegedeeld dat eiser zou kunnen vluchten. Dit is onvoldoende om gebruik te maken van handboeien.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2026 volgt dat een medewerker van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 28 juli 2026 aan verbalisanten heeft medegedeeld dat een oud-bewoner nog meerdere malen per week aanwezig zou zijn op het terrein en dat hij bewoners benadert om drugs aan te bieden. Dit zou gaan om eiser. De medewerker deelde ook mee dat eiser op het moment hij de politie zag aankomen het terrein afrende. Eiser is op 28 juli 2026 twee keer verdwenen nadat de politie ter plaatse was gekomen. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overdracht van 28 juli 2026 staat dat er bij eiser transportboeien omgedaan zijn omdat aan de verbalisant is medegedeeld dat hij zou kunnen vluchten bij het zien van politie. Ook wist de verbalisant dat eiser eerder was gevlucht voor de politie. De verbalisant heeft verder verklaard dat het hem ambtshalve bekend is dat dealers in het bezit kunnen zijn van goederen waarmee zij zich kunnen verdedigen. De verbalisant heeft vervolgens een veiligheidsfouillering bij eiser uitgevoerd en trof daarbij een stanleymes aan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze processen-verbaal worden vastgesteld dat is gehandeld in overeenstemming met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Het gebruik van de handboeien is voldoende gemotiveerd en naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd, waardoor er geen sprake is van een gebrek.
Heeft de minister in strijd gehandeld met artikel 5.12, tweede lid, van het Vb 2000?
5. Eiser voert aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 5.12, tweede lid, van het Vb 2000. Eiser heeft namelijk het recht om contact op te nemen met zijn naasten. Tijdens het gehoor heeft eiser aangegeven zijn moeder te willen bellen. De minister heeft eiser daartoe niet in de gelegenheid gesteld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het model M105 blijkt dat de eiser voorafgaand aan zijn inbewaringstelling telefonisch contact heeft gehad met een vriend en met een persoon genaamd [naam] . Dit geeft aan dat de minister – anders dan eiser stelt – aan hem wel degelijk de mogelijkheid heeft geboden om contact op te nemen met zijn naasten voordat de maatregel van inbewaringstelling werd genomen. Dat hij toen niet zijn moeder heeft gebeld, maar zo lijkt iemand anders, is eisers eigen keuze en komt voor zijn rekening. De rechtbank ziet dan ook geen gebrek op dit punt in het voortraject.
Is de grondslag van ophouding voldoende duidelijk?
6. Eiser voert aan dat het onduidelijk is op welke grondslag de ophouding is geschied. In het model M105 is vermeld dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Uit het proces-verbaal staandehouding volgt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000.
De minister erkent dat er twee verschillende grondslagen in de processen-verbaal zijn genoemd. De minister stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal van staandehouding een kennelijke verschrijving bevat en het model M105 leidend is.
De rechtbank stelt vast dat uit het model M105 volgt dat de ophouding voorafgaand aan de bewaring is geschied op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000 omdat de identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat de betrokkene geen rechtmatig verblijf had. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging van 28 juli 2026 volgt dat eisers identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, en daarom de ophouding is geschied op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Anders dan de minister stelt ziet de rechtbank geen kennelijk verschrijving in het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging omdat de toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 expliciet is gemotiveerd. Aangezien er twee op ambtseed opgemaakte processen-verbaal zijn die een andere grondslag voor de ophouding vermelden, is het - zoals eiser stelt - onduidelijk op welke grondslag de ophouding heeft plaatsgevonden. In zoverre kleeft er een gebrek aan het voortraject.
Een gebrek dat kleeft aan een maatregel van bewaring over hoe een vreemdeling in de macht van de minister is gebracht, maakt de inbewaringstelling slechts onrechtmatig indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dit geval weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring zijn gediend en valt de belangenafweging uit in het voordeel van de minister. Daarin weegt zwaar dat de minister voldoende (onbetwiste) gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Op basis van deze gronden bestaat er een risico dat eiser zal onderduiken. Verder is niet gesteld en niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door de onjuiste grondslag van de ophouding.
Is eiser binnen 24 uur vanuit de politiecel overgedragen naar een huis van bewaring?
7. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt dat eiser binnen 24 uur is overgedragen vanuit de politiecel naar het detentiecentrum in [plaats] . Dit levert een gebrek op.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De maatregel van bewaring is opgelegd op 28 juli 2026 om 20:30 uur. In het dossier is een document aanwezig met de titel ‘uitboeken arrestant’. Hierin is te lezen dat eiser (zijn naam is vermeld) op 29 juli 2026 om 10:24 uur is uitgeboekt als arrestant en is overgedragen aan [plaats] . De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen, te meer omdat eiser deze gegevens op de zitting niet meer heeft betwist. De overdracht is dan ook binnen 24 uur geschied.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, aangezien er een gebrek is geconstateerd in het voortraject. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.