RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42884
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
(gemachtigde: mr. E. Özel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De ambtenaar hoefde ook niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft de ambtenaar aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijk gesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, via een beeldverbinding, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Is de kennisgeving onverwijld ingediend?
5. Eiser betoogt dat de kennisgeving niet onverwijld is ingediend. De kennisgeving is namelijk pas op 30 juli 2026 verzonden, terwijl eiser al op 29 juli 2026 in bewaring is gesteld. Dit maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig, aldus eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier volgt dat de kennisgeving op 29 juli 2026 om 15:06 uur is verzonden naar het daarvoor bestemde e-mailadres van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken. Dat is iets meer dan vier uur nadat de maatregel is ondertekend (en opgelegd) om 11:00 uur. Dat acht de rechtbank zonder meer onverwijld. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat de kennisgeving blijkens het dossier op 30 juli 2026 nog intern is doorgestuurd binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Dat betreft dus niet de kennisgeving aan de rechtbank.
Moest er een medische beoordeling plaatsvinden voordat eiser in bewaring kon worden gesteld?
6. Eiser betoogt dat er een medische beoordeling had moeten plaatsvinden voordat hij in bewaring kon worden gesteld. Dat volgt namelijk uit artikel 12, vijfde lid, van de Screeningsverordening. De ambtenaar belast met grensbewaking kan die medische screening niet zelf uitvoeren, nu hij niet medisch is geschoold.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt namelijk niet dat de screening al moet zijn afgerond voordat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld nadat is beslist dat zijn asielaanvraag wordt behandeld in de grensprocedure. De medische screening kan daarom ook plaatsvinden op het moment dat eiser zich al in bewaring bevindt. Uit artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening en artikel 18, eerste en tweede lid, van de Screeningsverordening volgt namelijk niet dat de ambtenaar niet mag kiezen voor toepassing van de grensprocedure vóórdat alle stappen van de screeningsprocedure zijn doorlopen. Ook in andere bepalingen leest de rechtbank niet dat toepassing van de grensprocedure pas is toegestaan na het doorlopen van alle stappen van de screeningsprocedure. Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Die beoordeling vindt plaats indien een onderdaan van een derde land opkomt tegen een aan hem opgelegde maatregel van bewaring tijdens het doorlopen van de screeningsprocedure als zodanig, zonder dat sprake is van een asielaanvraag die wordt behandeld in de grensprocedure. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Screeningsverordening van toepassing is op alle onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de lidstaten overschrijden zonder aan de toepassingsvoorwaarden te voldoen van artikel 6 van de Schengengrenscode, ook als zij géén asielaanvraag hebben ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van ambtenaar bevestigd dat in Nederland de gebruikelijke werkwijze is dat, ingeval een vreemdeling aan de grens een asielaanvraag doet, met de screening wordt aangevangen en dat daarbij tevens wordt beslist op de aanvraag in de grensprocedure wordt behandeld. In dat laatste geval wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, de maatregel van grensdetentie opgelegd in verband met de uitgestelde toegang tijdens de grensprocedure. Van belang is uiteraard wel dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen adequaat heeft beoordeeld of eiser detentiegeschikt is en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet de ambtenaar vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna.
Had eiser het recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling?
7. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te laten bijstaan door een gemachtigde tijdens of voor het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Uit artikel 8, zesde lid, van de Screeningsverordening volgt namelijk dat personen die betrokken zijn bij ‘legal counseling’ (rechtsbijstand) altijd toegang moeten hebben tot de vreemdeling die in bewaring is of wordt gesteld. Door geen piketmelding te maken van een op handen zijnde gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling wordt het nuttig effect van artikel 8, zesde lid, van de Screeningsverordening ondergraven. De persoon belast met legal counseling heeft er dan namelijk geen weet van dat een vreemdeling rechtsbijstand nodig heeft. Eiser meent dat de rechtspraak op dit gebied aan herziening toe is. Niet alleen is die rechtspraak namelijk gevormd vóórdat de Screeningsverordening van toepassing werd, de belangen die spelen bij vrijheidsbeneming maken het essentieel dat er rechtsbijstand is in een vroege fase.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor is geoordeeld kan de rechtbank namelijk geen oordeel geven over de vraag of de screeningsprocedure juist is doorlopen. De rechtbank kan zich dus ook niet uitlaten over de vraag of is voldaan aan artikel 8, zesde lid, van de Screeningsverordening. Dit betekent dat de rechtbank ook geen reden ziet om af te wijken van de reeds bestaande rechtspraak waaruit volgt dat voor het ontbreken van een piketregeling in procedures zoals de onderhavige een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat de vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen “in het land” wel. Eiser heeft verder een folder uitgereikt gekregen met informatie over rechtsbijstand en krijgt in het kader van zijn asielprocedure rechtsbijstand toegewezen. De mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen is daarmee voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem en de bevestiging daarvan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Kon de ambtenaar met een lichter middel dan de inbewaringstelling volstaan?
8. Eiser betoogt dat de door de ambtenaar uitgevoerde toets of met een lichter middel kon worden volstaan niet op de juiste manier is uitgevoerd. Uit de vraagstelling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt namelijk dat niet relevant is wat eiser aanvoert, omdat het grensbewakingsbelang altijd zal prevaleren.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat daarmee voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Van een dergelijk bijzonder geval is in dit geval geen sprake. Eiser heeft de mogelijkheid gehad om bijzonderheden naar voren te brengen in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Eiser heeft toen geantwoord “Dat vind ik prima. Ik heb daar geen problemen mee.” Niet valt in te zien dat en waarom de ambtenaar de toets dan anders had moeten uitvoeren en tot welke uitkomst dat had moeten leiden.
De rechtbank constateert verder dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en
doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank
ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat een verzoeker op grond van artikel
artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de herziene Opvangrichtlijn
in bewaring mag worden gehouden met het oog op het nemen van een beslissing in het kader van een grensprocedure over zijn recht om het grondgebied te betreden. Verder wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin,
samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te
zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de
autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op
onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de
Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd
toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in
het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen ook op andere plaatsen in de Europese
regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid,
onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de preambule en
artikel 13 van de Schengengrenscode. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg
dat eiser feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat
toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen
van een vrijheidsontnemende maatregel.
Had de ambtenaar na het afronden van de eerste fase van screening opnieuw moeten beoordelen of met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan?
9. Eiser betoogt dat de ambtenaar ten onrechte geen afweging heeft gemaakt of de bewaring kon voortduren na het afronden van de eerste fase van screening. Uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 volgt dat grensdetentie uiteenvalt in twee verschillende fases, namelijk grensdetentie tijdens screening en grensdetentie tijdens de asielprocedure. De Screeningsverordening lijkt een maatregel van bewaring dwingendrechtelijk voor te schrijven. Dat geldt niet voor de fase na de screening. Dat betekent dat de toetsing ten aanzien van het lichter middel twee keer moet worden gemaakt en dat de maatstaf om een lichter middel om te leggen lager ligt in de tweede fase. In het bijzonder speelt mee dat geen sprake is van openbare orde aspecten of het overleggen van valse documenten, terwijl dat op grond van de Procedureverordening de reden is om de grensprocedure voort te zetten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld kunnen de screening en de asielgrensprocedure naast elkaar bestaan en door elkaar heen lopen. Eiser is in bewaring gesteld met het oog op grensdetentie gedurende zijn asielprocedure. In het kader daarvan is de afweging gemaakt of met een lichter middel kon worden volstaan. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat de ambtenaar die afweging op de juiste manier heeft gemaakt. Dat er geen sprake is van openbare orde aspecten of van het overleggen van valse documenten heeft de ambtenaar in dat kader niet doorslaggevend hoeven achten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.