ECLI:NL:RBDHA:2026:22670

ECLI:NL:RBDHA:2026:22670

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer NL26.43331
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring 59a Vw 2000; grondslag ophouding (50 lid 3 Vw 2000); al dan niet rechtmatig verblijf i.v.m. MOB-melding; lichter middel; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43331

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Zij heeft op 7 augustus 2026 schriftelijk de gronden van beroep naar voren gebracht.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-verordening. In de AMB-verordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.

De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Leiden gebreken in het voortraject tot onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring?

5. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Eiser is namelijk opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000. Die grondslag kan alleen worden gebruikt voor vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland. Dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland volgt volgens eiser ten onrechte uit het feit dat eiser met onbekende bestemming (MOB) zou zijn vertrokken. Uit het dossier blijkt namelijk onvoldoende dat eiser daadwerkelijk MOB was. Zo zou volgens de informatie van de minister maar sprake zijn van een MOB-situatie van vier dagen en was eiser op 27 juli 2026, dus vóór het geplande vertrekgesprek op 28 juli 2026, weer aanwezig op de opvanglocatie. Ook is niet gebleken dat eiser is uitgenodigd voor dat vertrekgesprek. Verder was eiser in elk geval op 29 juli 2026 aanwezig bij een vertrekgesprek.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser ziet de rechtbank in de gevolgde gang van zaken geen aanleiding uit te gaan van een gebrek in het voortraject. Uit het dossier blijkt namelijk wel degelijk dat eiser MOB is geweest. Dat dat (maar) voor een periode van vier dagen is geweest doet aan de feitelijke juistheid daarvan niet af. Daarmee is zijn rechtmatig verblijf als Dublinclaimant geëindigd. De minister wijst er terecht op dat uit rechtspraak volgt dat rechtmatig verblijf niet herleeft wanneer de vreemdeling zich opnieuw meldt bij een asielzoekerscentrum. Dat eiser niet zou zijn uitgenodigd voor het vertrekgesprek op 28 juli 2026 is in dit verband niet relevant. Overigens volgt uit de door de minister aan het dossier toegevoegde uitnodiging dat eiser wel degelijk is uitgenodigd. Omdat eisers rechtmatig verblijf is geëindigd op het moment dat hij MOB ging en dat rechtmatig verblijf niet is herleefd op het moment dat hij zich opnieuw meldde, kon de minister hem ophouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat ten onrechte is gesteld dat hij MOB is gegaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In overweging 5.1 is reeds vastgesteld dat eiser feitelijk MOB is gegaan. De minister stelt zich verder, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft daarbij ook voldoende rekening gehouden met eisers belangen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. P.I. van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand