RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43284
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. E. Özel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde ook niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 30 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kon eiser in bewaring worden gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000?
5. Eiser betoogt dat hij dacht dat hij het hoger beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland mocht afwachten en dat hij nog recht had op opvang op het moment dat hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld. Het was eiser niet duidelijk dat hij Nederland diende te verlaten.
De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij betoogt dat hij nog rechtmatig verblijf had (en dus recht op opvang) op het moment dat hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld. In dat geval kan geen maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden opgelegd. De rechtbank vat het betoog van eiser dus op als een betwisting van de grondslag van de maatregel van bewaring.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de dossierstukken volgt dat eisers asielaanvraag op 31 oktober 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 16 juli 2026 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. De afwijzing van de asielaanvraag staat daarom in rechte vast. Door eiser is niet onderbouwd op grond van welke andere (lopende) procedure recht op verblijf (en opvang) zou bestaan. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland dat in de weg zou staan aan een inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dat eiser niet wist dat hij de opvanglocatie (en Nederland) diende te verlaten komt, zoals de minister op zitting terecht heeft opgemerkt, voor zijn eigen rekening en risico. Eiser moet namelijk als gevolg van de afwijzing van zijn asielaanvraag en de daaropvolgende rechterlijke procedure duidelijk geweest zijn dat zijn asielaanvraag definitief was afgerond en dat hij Nederland onmiddellijk diende te verlaten om terug te keren naar (in dit geval) Jordanië.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Eiser voert aan dat de h-grond niet aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag mocht worden gelegd. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij wel mee wil werken aan terugkeer naar Jordanië.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat de h-grond aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Wat eiser tegen de h-grond heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat detentie hem zwaar valt. Bovendien wil eiser graag meewerken aan zijn vertrek. Ook om die reden had bijvoorbeeld een vrijheidsbeperkende maatregel beter gepast bij de situatie van eiser.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De minister stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarnaast heeft de minister voldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser. Zo heeft eiser gelegenheid gehad om te vertellen over de redenen waarom een maatregel van vreemdelingenbewaring voor hem onevenredig bezwarend zou zijn en heeft de minister bij de motivering van de maatregel ook rekening gehouden met de door eiser aangedragen omstandigheden. Ook het feit dat eiser graag zelfstandig zou willen vertrekken naar Jordanië of mee wil werken aan vrijwillig vertrek heeft de minister voldoende meegewogen. De minister heeft namelijk meegewogen dat eiser geen reisdocument heeft waarmee hij zelfstandig kan vertrekken en dat hij ook niets heeft ondernomen om aan een dergelijk document te komen. Daarbij heeft de minister op zitting nog onweersproken gesteld dat uit gesprekken met de IOM is gebleken dat eiser juist niet wenst mee te werken aan zijn terugkeer. Eiser heeft dat ook in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven. Dat eiser nu op zitting stelt zelfstandig terug te willen naar Jordanië hoefde voor de minister dus geen reden te vormen om (alsnog) te volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Uit het dossier valt immers niet af te leiden dat er voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt werkt de minister wel voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Allereerst volgt uit het dossier dat de minister op 30 juli 2026 aan de Officier van Justitie heeft gevraagd of hij in kan stemmen met de uitzetting van eiser. Omdat die toestemming vaak voorwaarde is voor het vertrek van een vreemdeling die strafrechtelijk wordt vervolgd merkt de rechtbank dat in dit geval aan als een uitzettingshandeling. Daarnaast heeft de minister op zitting onweersproken gesteld dat op 3 augustus 2026 met eiser een vertrekgesprek is gevoerd en dat op 6 augustus 2026 een aanvraag voor een laissez passer is verzonden naar de Jordaanse autoriteiten. Dat acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.