ECLI:NL:RBDHA:2026:22672

ECLI:NL:RBDHA:2026:22672

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-08-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer NL26.43310 en NL26.43339
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

grensdetentie, geschiktheid lounge (Screeningsverordening), lichter middel, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres en

de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.43310 en NL26.43339

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

samen: eisers

(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

1. Deze uitspraak gaat over de (separate) maatregelen van vreemdelingenbewaring die aan eisers zijn opgelegd. Deze maatregelen zijn opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het niet eens met die maatregelen. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregelen en de vraag of aan eisers een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van de maatregelen van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregelen van vreemdelingenbewaring voldoen aan de voorwaarden. De ambtenaar hoefde ook niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 juli 2026 heeft de ambtenaar aan eisers de maatregelen van vreemdelingenbewaring opgelegd. De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregelen in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door eisers ingestelden beroepen. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Kan de lounge worden aangemerkt als geschikte locatie?

5. Eisers voeren aan dat de lounge op Schiphol, waar zij zich op grond van een aanwijzing zoals bedoeld in artikel 4.6 van het Vb 2000 één nacht moesten ophouden, geen geschikte screeningslocatie is in de zin van de Screeningsverordening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft de ambtenaar ook vragen gesteld over de geschiktheid van de lounge als screeningslocatie.

De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers aldus dat de screening en de asielgrensprocedure strikt gescheiden fasen zijn en dat een maatregel van bewaring tijdens de grensprocedure niet kan worden opgelegd zolang de screening niet is afgerond en niet is voldaan aan de voor de screening geldende vereisten, de locatie van de screening daaronder begrepen. De onrechtmatigheid van de screening werkt volgens eisers door in de

daaropvolgende bewaring tijdens de behandeling van de asielaanvraag in de grensprocedure.

Tijdens de zitting heeft de ambtenaar desgevraagd aangegeven dat, in het geval

van eisers, uit de daartoe opgemaakt processen-verbaal van bevindingen

Screeningsverordening volgt dat de screening op 30 juli 2026 om 08:55 uur is afgenomen en

voltooid. Verder heeft de ambtenaar tijdens de zitting verwezen naar de uitspraak van deze

rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 30 juli 2026, en toegelicht dat de screening op grond

van de Screeningsverordening samen kan gaan met een maatregel van bewaring tijdens de grensprocedure.

De rechtbank volgt dit standpunt van de ambtenaar. De ambtenaar heeft de

bevoegdheid om eisers, nadat zij aan de grens om asiel hebben verzocht, een

vrijheidsontnemende maatregel. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 alsmede uit artikel 10, vierde lid,

van de Opvangrichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverwegingen 5.2 tot en

met 5.5 van de hiervoor benoemde uitspraak van 30 juli 2026 en neemt deze overwegingen over. De screening kan dus, anders dan eisers veronderstellen, samengaan met een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank voegt hieraan toe dat bewaring ter fine van het afronden van de screeningsprocedure aan de orde is zolang een vreemdeling nog géén toegang is verstrekt tot de asiel(grens)procedure. Dit volgt in zekere zin ook uit artikel 10, tweede lid, van de Screeningsverordening, waarin is neergelegd dat tijdens de screening er op moet worden toegezien dat een effectieve toegang tot de asielprocedure niet wordt gefrustreerd. Die situatie doet zich in het geval van eisers niet voor. Zij waren ten tijde van het opleggen van de maatregel reeds toegelaten tot de asielgrensprocedure. De ambtenaar was dan ook bevoegd om over te gaan tot bewaring in verband met de uitgestelde toegang tijdens de grensprocedure. Verder is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of de screeningsprocedure juist, dus volgens de regels van de Screeningsverordening, is doorlopen. Van belang is uiteraard wel dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat

heeft beoordeeld of eisers detentiegeschikt zijn en of een lichter middel in dit geval op zijn

plaats is. Beide aspecten moet de ambtenaar vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of

dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna.

Kon de ambtenaar met een lichter middel dan inbewaringstelling volstaan?

6. Eisers betogen dat de ambtenaar met een lichter middel dan de inbewaringstelling had kunnen en moeten volstaan. Zij vallen niet binnen de categorie vreemdelingen als bedoeld in artikel 45 van de Procedurerichtlijn, zodat de maatregel van grensdetentie in hun geval niet verplicht hoeft te worden opgelegd. Ze wijzen er daarbij op dat de maatregel van grensdetentie ook is bedoeld als uiterst redmiddel. De ambtenaar past grensdetentie echter standaard toe wanneer een vreemdeling zonder documenten aan een buitengrens van het Schengengebied een asielaanvraag indient. Er is geen enkele indicatie dat eisers gedurende hun asielprocedure zullen onderduiken. Zo hebben zij allebei een origineel paspoort overgelegd en werken zij volledig mee aan de behandeling van hun asielaanvraag. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar verschillende uitspraken. Daarnaast speelt nog dat voor eiser een lichter middel op zijn plaats was omdat sprake is van psychische problemen als gevolg waarvan hij zich in detentie niet zal kunnen handhaven.

De rechtbank constateert dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze

vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en

doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank

ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat een verzoeker op grond van artikel

artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de herziene Opvangrichtlijn een verzoeker

in bewaring mag worden gehouden met het oog op het nemen van een beslissing in het kader van een grensprocedure over zijn recht om het grondgebied te betreden. Verder wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin,

samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te

zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de

autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op

onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de

Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd

toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in

het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen ook op andere plaatsen in de Europese

regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid,

onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de preambule en

artikel 13 van de Schengengrenscode. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg

dat eisers feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgen, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het

grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen

van een vrijheidsontnemende maatregel. Dat de ambtenaar in zijn algemeenheid met een lichter middel had kunnen en moeten volstaan volgt de rechtbank om die reden dus niet.

Dat eisers meewerkend zijn en niet zullen onderduiken, is in dit verband niet relevant. De rechtbank overweegt dat een risico op onderduiken geen wettelijke vereiste is voor het opleggen van de maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Daarvoor is slechts vereist dat eisers aan de grens een asielaanvraag hebben gedaan en de ambtenaar heeft besloten om deze asielaanvraag in de asielgrensprocedure te behandelen.

De ambtenaar heeft verder naar het oordeel van de rechtbank steeds voldoende meegewogen of met een lichter middel moest worden volstaan gelet op de psychische toestand van eiser. Daarbij is allereerst van belang dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij geen medische hulp nodig heeft en geen last heeft van lichamelijke aandoeningen of andere ziektes. Eiser heeft ook de vraag of er andere spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven de asielaanvraag in vrijheid af te kunnen wachten ontkennend beantwoord. Van de ambtenaar kon dus niet worden verwacht dat hij al bij het opleggen van de maatregel van bewaring rekening hield met eisers psychische toestand. Uit het dossier volgt, zo merkt gemachtigde terecht op, dat eiser op een later moment echter suïcidale uitingen heeft gedaan. Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat om die reden alsnog met een lichter middel moest worden volstaan (en dat de maatregel van bewaring dus moest worden opgeheven). Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat of waarom de medische voorzieningen in detentie voor hem onvoldoende toereikend zijn en dat of waarom zijn psychische toestand de maatregel van bewaring voor hem nu onevenredig bezwarend zou maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. P.I. van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand