RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43617
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
Procesverloop
De minister heeft op 2 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 16 april 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 mei 2026 en op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank op 30 juni 2026 uitspraak gedaan.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 6 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 7 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 24 juni 2026.
Heeft de minister voldoende inlichtingen gegeven?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende inlichtingen heeft gegeven, dan wel dat de rechtbank onvoldoende inlichtingen heeft gevraagd. De stukken in het dossier zijn namelijk onvolledig. Basale stukken zoals de maatregel, maar ook de eerdere beroepsgronden en uitspraken ontbreken. Daardoor kan de rechtbank geen volledig oordeel geven, omdat de rechtbank op zijn minst moet kunnen beoordelen of de gronden nog van toepassing zijn.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende inlichtingen gegeven door de voortgangsrapportage (en verslagen van vertrekgesprekken) te overleggen en de rechtbank heeft ook niet meer/andere inlichtingen hoeven vragen. De rechtbank wijst daarbij op artikel 8.5 van het Procesreglement bestuursrecht. In een vervolgberoep toetst de rechtbank namelijk enkel of het voorduren van de maatregel van bewaring nog rechtmatig is. Daarbij hoeft de rechtbank zich niet meer uit te laten over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden zijn namelijk al eerder, bij de uitspraak van 16 april 2026, getoetst. Ook eerder aangevoerde beroepsgronden acht de rechtbank niet relevant in het kader van dit vervolgberoep. Over deze eerdere gronden heeft de rechtbank namelijk al een oordeel gegeven in de uitspraken van 20 mei 2026 en 30 juni 2026. Dat deze uitspraken niet in het dossier zitten, maakt het oordeel niet anders. Naast dat deze uitspraken gepubliceerd zijn, en dus bij de rechtbank bekend zijn, dient de rechtbank in onderhavige uitspraak een oordeel te geven over de beroepsgronden zoals deze door eiser zijn aangevoerd. Dat kan de rechtbank ook zonder dat de eerdere uitspraken in het dossier zitten. De rechtbank ziet dan ook niet dat de voortgangsrapportage (en verslagen van vertrekgesprekken) onvoldoende zijn om een effectieve toetsing door de rechter te waarborgen. Eiser heeft ook niet concreet toegelicht waarom in zijn geval nadere stukken wel relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf 24 juni 2026.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser betoogt vervolgens dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De nationaliteit van eiser was namelijk al bevestigd en er was een kopie van het paspoort van eiser voorhanden. Het heeft een maand geduurd voordat een laissez-passer (lp) is verstrekt. Het is onduidelijk wanneer dat is gebeurd, omdat er geen kopie van de lp in het dossier zit. Daarna is op 13 juli 2026 een vlucht aangevraagd en is op 20 juli 2026 een nieuw vluchtakkoord gegeven. Pas op 5 augustus 2026 wordt aan gemachtigde de vluchtgegevens doorgegeven. Daaruit blijkt dat er mogelijk al een eerdere vlucht was, waarvan onduidelijk is waarom deze geannuleerd zou zijn, of de vlucht is onnodig laat gepland. Daarnaast heeft de minister eiser niet en zijn gemachtigde laat geïnformeerd over de datum van de vlucht. Ook dat vindt eiser onrechtmatig.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser gewerkt. Zoals blijkt uit het voortgangsrapport is meerdere malen contact geweest met Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) en de consul. Op 3 juli 2026 is aan DIA gevraagd of zij inmiddels een reactie hebben ontvangen van de autoriteiten van Guinee-Bissau. Daarna is op 6 en 9 juli 2026 gesproken met de consul. Uit dat gesprek is gebleken dat de consul contact heeft gehad met het ministerie, die telefonisch akkoord heeft gegeven op de lp-verstrekking, maar dat nog gewacht wordt op schriftelijke bevestiging. Verder is op 13 juli 2026 een vluchtaanvraag verzonden en zijn op 20 juli 2026 de vluchtgegevens ontvangen. De vlucht is vervolgens gepland op 10 augustus 2026. Ook is op 26 juni 2026 en 16 juli 2026 schriftelijk gerappelleerd op de lp-aanvraag van eiser. Daarnaast is op 2 juli 2026 een verstrekgesprek met hem gevoerd. Uit voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister steeds voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Dat de nationaliteit van eiser, na de telefonische presentatie op 3 juni 2026, al bevestigd was en het daarna (ongeveer) een maand heeft geduurd totdat de lp is verstrekt, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister is namelijk afhankelijk van de autoriteiten van Guinee-Bissau voor het verstrekken van de lp en heeft meermaals contact met hen gezocht. Het enkele feit dat de vluchtgegevens niet aan eiser, en pas op 5 augustus 2026 aan zijn gemachtigde, zijn verstrekt, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt. Ook het betoog van eiser dat de vlucht eerder dan 10 augustus 2026 had kunnen plaatsvinden, volgt de rechtbank niet. De vlucht is namelijk aangevraagd op 13 juli 2026, waarbij een escortopdracht is gegeven. Dat de vlucht een maand daarna is ingepland, acht de rechtbank niet zodanig laat dat daarmee sprake is van een onrechtmatigheid. Daarbij is relevant dat voor eiser escorts geregeld moesten worden, voor eiser en de escorts een heenvlucht en voor de escorts ook een terugvlucht. Deze omstandigheden maken dat aan de minister enige tijd gegund mag worden voor het vinden van de geschikte vluchten.
Is het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
5. Eiser betoogt dat het voorduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd is. Daarbij wijst eiser erop dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerd verblijf is, zoals volgens eiser blijkt uit het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT). Hoewel de verzwaarde belangenafweging in de regel na zes maanden plaats moet vinden, is dat anders als er gebreken zijn die de detentie bezwarender maken. Daarbij wijst eiser ook op zijn psychische klachten.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 30 juni 2026, rechtsoverweging 4.1, waarbij de rechtbank al eerder een oordeel heeft gegeven over deze beroepsgrond. Het enkele tijdsverloop sinds die uitspraak acht de rechtbank niet zodanig lang voor een ander oordeel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.