RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam] , verzoeker
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/12992
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
(gemachtigde: I. Hunting).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 augustus 2026 heeft het COa de Rva-verstrekkingen van verzoeker voor een periode van twee weken opgeschort en hem voor deze periode een locatieverbod opgelegd.
Verzoeker heeft hiertegen op 4 augustus 2026 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 10 augustus 2026 heeft verzoeker het verzoekschrift nader onderbouwd.
Op 12 augustus 2026 heeft het COa een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt in een voorlopige voorzieningsprocedure hangende beroep of sprake is van een spoedeisend belang en of het beroep van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Verzoeker voert aan dat hij kampt met psychische problematiek. Door het inhouden van de Rva-verstrekkingen, waardoor hij zich niet op het terrein van het AZC Utrecht Overvecht mag begeven, kan verzoeker geen gebruik maken van de medische voorzieningen. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij zijn opvangvoorzieningen van het COa zal behouden.
5. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat aan verzoeker opvang is geboden in het AZC Leersum. Daar wordt voorzien in onderdak en maaltijden in natura. Ook blijven de zorgverzekering en de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering doorlopen. Anders dan verzoeker aanvoert, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hem voorzieningen worden onthouden. Dat verzoeker middels een afstandsverklaring heeft aangegeven dat hij niet wenst te verblijven op de aangeboden time-out locatie, doet aan voorgaande niet af. In het verweerschrift geeft het COa bovendien aan dat uit het COa Maatregelenbeleid volgt dat wanneer een asielzoeker zelf in zijn onderdak voorziet, hij het recht op eetgeld behoudt en dat verzoeker nog steeds een afspraak kan maken met een GZA op locatie. Bij deze beoordeling neemt de voorzieningenrechter nog mee dat verzoeker zonder opvang door het COa ook aanspraak kan blijven maken op medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: