Zorgregeling
Beschikking op het op 9 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend aders,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 2016 tot 2023.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [plaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2023 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Daarbij is een ouderschapsplan aan die beschikking gehecht – voor zover hier van belang – inhoudende dat:
- zolang de vader nog geen zelfstandige woning heeft zal [minderjarige] bij de vader verblijven een dag in het weekend van 10:00 uur tot 19:00 uur, de ene week op de zaterdag en de andere week op de zondag;
- zodra de vader een zelfstandige woning heeft zal [minderjarige] bij de vader verblijven ieder weekend van vrijdag uit school tot zondagochtend 19:00 uur, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt;
- ter zake van de vakanties- en de feestdagen zullen de ouders met elkaar in overleg gaan en per vakantie bepalen hoe zij hieraan invulling zullen geven en zoveel als mogelijk kijken naar de wensen/ behoeften van [minderjarige] .
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- de moeder te bevelen tot nakoming van de bij ouderschapsplan d.d. 8 december 2022 vastgestelde zorgregeling, waarbij eerst gewerkt wordt met een opbouwende zorgregeling, inhoudende:
- de eerste ontmoeting duurt 3 uur;
- de daaropvolgende 2 maanden op zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur;
- de daaropvolgende week van zaterdag 12:00 uur tot zondag 12:00 uur;
- daarna voortzetting van de vastgestelde zorgregeling;
- de moeder een dwangsomregeling op te leggen, waarbij zij voor iedere keer dat zij in gebreke blijft de vastgestelde zorgregeling en de verzochte opbouwregeling na te komen, een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag, tot een maximum van € 10.000,- dan wel een zodanige dwangsomregeling op te leggen als de rechtbank juist en passend acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de moeder zelfstandig verzocht te bepalen dat de zorgregeling gewijzigd zal worden naar een begeleide regeling, inhoudende dat de betreffende instantie deze zal begeleiden en bepalen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
(nakoming) Zorgregeling en dwangsom
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het vijfde lid van deze wetsbepaling kan de rechtbank op verzoek, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, indien het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil de zorgregeling, zoals partijen dat zijn overeengekomen in het ouderschapsplan van 8 december 2022, weer hervatten. Omdat hij [minderjarige] al ruim een jaar niet meer heeft gezien, zal het contact tussen hen eerst weer moeten worden opgebouwd. Hij heeft daartoe een opbouwende zorgregeling voorgesteld. Volgens de vader is elke week dat er geen contact is tussen de vader en [minderjarige] schadelijk voor haar.
De moeder staat op den duur open voor contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . Zij is echter van mening dat eerst het ingezette hulpverleningstraject bij Kracht doorlopen moet worden, zodat de weerstand bij [minderjarige] in het contact met haar vader kan worden weggenomen.
Op de zitting heeft de rechtbank nader met de ouders gesproken over de oorzaak van de contactbreuk tussen de vader en [minderjarige] . Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het conflict tussen de ouders, en de weerstand bij [minderjarige] , gelegen is in het feit dat de vader [minderjarige] heeft geholpen met douchen en afdrogen. [minderjarige] heeft deze momenten als onprettig en niet passend bij haar leeftijd ervaren. De moeder is hier erg van geschrokken en heeft deze kwestie willen bespreken met de vader. Tussen de ouders (en de partner van de moeder) heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden dat is geëscaleerd in een conflict tussen de ouders. De moeder heeft haar zorgen geuit bij Veilig Thuis, waarna Veilig Thuis een onderzoek heeft verricht. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er geen aanwijzingen zijn gevonden van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader bij [minderjarige] . Voorgaande neemt niet weg dat zowel de moeder als de rechtbank de weerstand van [minderjarige] ziet in het contact met haar vader. Inmiddels heeft de vrouw zich bij Kracht gemeld om hulpverlening voor [minderjarige] te organiseren. Volgens de moeder staat [minderjarige] daar op de wachtlijst. De rechtbank constateert dat zij, gelet op de stukken die de moeder in dat kader heeft overgelegd, niet precies kan nagaan wanneer [minderjarige] passende hulpverlening zal krijgen via Kracht. Wel heeft de moeder op de zitting toegezegd dat zij Kracht de dag na de zitting zal bellen om te vragen wat de stand van zaken is. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder dit inmiddels heeft gedaan en dat zij de vader hierover heeft ingelicht.
Zoals op de zitting besproken is het uitgangspunt dat een kind, in dit geval [minderjarige] , met beide ouders contact heeft. Momenteel bestaat er echter zoveel weerstand bij [minderjarige] in het contact met haar vader dat de rechtbank van oordeel is dat onbegeleid contact op dit moment niet in haar belang is. De rechtbank heeft op de zitting met de ouders gesproken over het traject Omgangsbegeleiding bij BOR Humanitas (BOR). De ouders hebben de bereidheid uitgesproken om in afwachting van het hulpverleningstraject voor [minderjarige] bij Kracht deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding bij BOR. De rechtbank zal de ouders en [minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij BOR. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal als richtlijn voor BOR een voorlopige zorgregeling vaststellen, waarbij de vader en [minderjarige] om de week, een aantal uur aaneen, contact hebben met elkaar. Het staat de ouders en BOR vrij om de voorlopige zorgregeling verder uit te breiden op het moment dat [minderjarige] hier aan toe is.
In afwachting van de resultaten van het traject Omgangsbegeleiding bij BOR zal de rechtbank de definitieve beslissing over de (nakoming van de) zorgregeling en de dwangsom pro forma aanhouden tot 1 oktober 2026.
De advocaten van de ouders dienen uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde pro forma datum met gelijktijdige kopie aan de andere advocaat, de rechtbank schriftelijk te informeren over de stand van zaken van het traject en over de gewenste voortgang van de procedure.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om te laten weten wat zij heeft beslist. Volledigheidshalve staat de inhoud van die brief hieronder, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.
Beste [minderjarige] ,
Ik ben de rechter die vorige week vrijdag met je gepraat heeft. Ik vond dat een erg leuk gesprek. Je vond het erg spannend om met mij te praten, maar je hebt het toch hartstikke goed gedaan. Je vertelde me ook dat je rechter of dokter wil worden, of voor oude mensen wil zorgen. En dat je in ieder geval andere mensen wil helpen. Ik vind dat een heel goed idee.
Je hebt mij verteld dat je niet naar je vader toe wil vanwege wat er is gebeurd met douchen. En omdat hij tegen je heeft geschreeuwd. Ik begrijp dat je dat heel vervelend vond. Volgens mij begrijpen je ouders dat ook.
Je ouders en ik vinden het wel belangrijk dat je het toch nog een keer gaat proberen met je vader. Omdat wij denken dat het goed is voor kinderen om allebei hun ouders te zien.
We hebben daarom afgesproken dat je binnenkort met je vader gaat afspreken. Daar is dan iemand anders bij om ervoor te zorgen dat het een leuke afspraak is. Het is niet bij je vader thuis.
Ik weet dat dit niet is wat jij wil, maar ik denk dat dit nu het beste is.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt een voorlopige zorgregeling, welke geldt als richtlijn voor BOR, in die zin dat de vader en [minderjarige] om de week, een aantal uur aaneen, contact hebben met elkaar;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] , (de vader)
wonende te [adres 1] te [woonplaats 1] ,
en
[de moeder] , (de moeder)
wonende te [adres 2] te [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding (BOR), en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat partijen de rechtbank uiterlijk veertien dagen vóór na te melden pro formadatum informeren over de stand van zaken van het traject bij BOR;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de (nakoming van de) zorgregeling en de dwangsom aan tot 1 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 juli 2026.