Gezag en vaststelling zorg- c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 13 mei 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kahya-Ekinci te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer.
Procedure
Bij beschikking van 28 januari 2026 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezamenlijk gezag, de zorg- c.q. omgangsregeling en de proceskosten aangehouden, ten einde de moeder in de gelegenheid te stellen verweer te voeren tegen de zelfstandige verzoeken van de vader.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 16 juni 2026 is de behandeling op de zitting voorgezet. Hierbij zijn verschenen:
Beoordeling
Vastelling zorg- c.q. omgangsregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader wil het contact tussen hem en [de minderjarige] weer herstellen. Hij voert daartoe het volgende aan. Nadat de relatie tussen de ouders is geëindigd heeft er eerst begeleide omgang plaatsgevonden, waarbij Kompas Jeugdzorg betrokken is geweest. Daarna is de begeleide omgang gestopt en verbleef [de minderjarige] eens per twee weken (onbegeleid) van zaterdagochtend tot zondagavond, alsmede gedurende twee aaneengesloten weken van de zomervakantie in 2024 bij de vader. Tijdens die zomervakantie heeft de moeder de omgang tussen de vader en [de minderjarige] eenzijdig stopgezet. De vader heeft conform het advies van Kompas Jeugdzorg aan zichzelf gewerkt. Volgens de vader heeft [de minderjarige] er belang bij contact te hebben met beide ouders en zijn er geen contra-indicaties op grond waarvan het recht op omgang tussen de vader en [de minderjarige] kan worden beperkt.
De moeder voert verweer. Zij stelt dat de vader haar heeft beledigd, bedreigd en mishandeld, onder meer in het bijzijn van [de minderjarige] . De moeder heeft hiervan meerdere meldingen bij de politie gedaan en heeft zelfs enige tijd in een blijf-van-mijn-lijfhuis gewoond. Volgens de moeder hebben de contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] een negatieve weerslag op [de minderjarige] gehad. De vader stelt dat hij in therapie is geweest, maar heeft dit op geen enkele manier onderbouwd. Inmiddels is [de minderjarige] weer onder behandeling bij een psycholoog, waar hij met EMDR-therapie zal gaan beginnen. Hervatting van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] doorkruist deze behandeling en is daarom niet in het belang van [de minderjarige] . Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling af te wijzen.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende duidelijk geworden. [de minderjarige] heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt, waarbij hij traumagerelateerde klachten heeft opgelopen. De ouders erkennen deze klachten en zijn het erover eens dat daar hulp bij nodig is. De ouders zijn het echter niet eens over de oorzaak van [de minderjarige] klachten. De moeder zoekt deze oorzaak in het agressieve gedrag van de vader, terwijl de vader van mening is dat de klachten van [de minderjarige] zijn gelegen in het disfunctioneren van het nieuwe gezin van de moeder. De rechtbank kan de precieze oorzaak van [de minderjarige] klachten niet vaststellen maar constateert, net als de ouders, dat [de minderjarige] professionele hulp nodig heeft. Inmiddels is [de minderjarige] onder behandeling van een psycholoog. Deze behandeling bevindt zich echter nog in een pril stadium. De rechtbank acht het voor het welzijn van [de minderjarige] van groot belang dat hij zijn (trauma) behandeling afrondt, voordat er stappen kunnen worden gezicht richting contactherstel met de vader. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat eerdere omgangsmomenten hebben geleid tot onrust bij [de minderjarige] , onder meer tijdens het laatste omgangsmoment in de zomervakantie van 2024, waarbij de vader ruzie kreeg met zijn toenmalige vriendin. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is om een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt hem met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Volgens de vader is het ontbreken van communicatie tussen de ouders onvoldoende om het gezamenlijk gezag af te wijzen. Daarbij staat de vader open voor overleg, begeleiding en ondersteuning. Gezamenlijk gezag voorkomt verdere escalatie tussen de ouders, uitsluiting van de vader en draagt bij aan de gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid.
De moeder voert verweer. Gelet op de voorgeschiedenis tussen de ouders zijn de verhoudingen tussen hen ernstig duurzaam verstoord. Daarbij ontbreekt zowel de communicatie als de minimale basis van vertrouwen. Volgens de moeder wordt dan ook voldaan aan het klem en verloren criterium en is het niet te verwachten dat binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden in de onderlinge verhoudingen of de opvoedingssituatie.
De rechtbank overweegt dat voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag vereist is dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank constateert, zoals hiervoor ook overwogen, dat de ouders een belaste voorgeschiedenis hebben. In dat kader volgt de moeder EMDR-therapie. De ouders hebben momenteel op geen enkele manier contact met elkaar. Hierdoor zijn zij niet in staat gezagsbeslissingen over [de minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders als zij gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] worden belast. De verwachting is niet dat er binnen afzienbare tijd verbetering in deze situatie zal komen. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de
rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
wijst af het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling;
*
wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.