Zorgregeling
Beschikking op het op 7 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Z.A. Hoetjes in Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C.M. van Lieshout in Capelle aan den IJssel.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Het zelfstandige verzoek van 4 juni 2026 van de moeder om vaststelling van kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige] is afgesplitst en geregistreerd onder het kenmerk C/09/706917 en FA RK 26-5860. In die zaak heeft de vader een termijn gekregen om schriftelijk verweer te voeren. Dit verzoek ten aanzien van kinderalimentatie zal worden behandeld op een nader te bepalen zitting.
Feiten
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, te bepalen dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan wordt gewijzigd en dat ten aanzien van [minderjarige] de volgende zorgregeling zal gelden, te weten dat:
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
Beoordeling
Wijziging zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Ontvankelijkheid
De vader stelt dat er sinds het vastleggen van het ouderschapsplan sprake is van gewijzigde omstandigheden. Destijds woonde hij nog bij zijn ouders, terwijl hij nu over een eigen woning beschikt, waarin hij samenwoont met zijn nieuwe partner. Daarnaast is [minderjarige] ouder geworden en gaat zij inmiddels naar de basisschool.
De moeder voert verweer en stelt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Het feit dat de vader nu over een eigen woning beschikt is volgens haar geen relevante wijziging, omdat deze factor niet van invloed is geweest op de regeling die partijen hebben vastgesteld. Bovendien is [minderjarige] niet significant ouder dan ten tijde van de opstelling van het ouderschapsplan.
Gelet op de gewijzigde woonsituatie van de vader en de afspraken die partijen op de zitting hebben gemaakt, is de rechtbank is van oordeel dat sinds het ouderschapsplan van 2024 sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden. De rechtbank zal de vader daarom ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting hebben de ouders gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige] (in ieder geval) tot de kerstvakantie van het jaar 2026 in de ene week drie dagen bij de ene ouder en vier dagen bij de andere ouder verblijft, welke verdeling in de daaropvolgende week wordt omgewisseld. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige] en zal deze daarom vaststellen, waarbij de ouders, zoals zij ter zitting hebben afgesproken, in onderling overleg zullen bepalen hoe zij de verdeling precies vormgeven.
De vader wenst vanaf begin volgend jaar uitvoering te geven aan een week-op-week-af regeling. De moeder wil hiermee nog enkele jaren wachten en per jaar bezien welke regeling op dat moment het beste aansluit bij de behoefte van [minderjarige].
De rechtbank zal het verzoek van de vader, om nu al te bepalen dat vanaf 1 januari 2027 een week op week af regeling zal gelden, afwijzen. De rechtbank kan niet nu al vooruitlopen op de situatie begin 2027. Het is goed mogelijk dat er zich ontwikkelingen voordoen in het leven van [minderjarige] die nu nog niet te voorzien zijn. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de ouders, nu zij in onderling overleg een regeling hebben afgesproken voor de rest van het jaar 2026 en nu zij beide hetzelfde belang van [minderjarige] voor ogen hebben, in staat zullen zijn om (ook) voor de periode vanaf januari 2027 een zorgregeling af te spreken. Duidelijk is immers dat het de bedoeling is om toe te werken naar een week-op-week-af regeling, waarbij het belang en de behoeften van [minderjarige] leidend moeten zijn.
Wat betreft de verdeling van de vakanties en de feestdagen, overweegt de rechtbank als volgt. De moeder is akkoord met verzoek van de vader ten aanzien van de mei- en kerstvakantie, Pasen, Pinksteren en de overige feestdagen en bijzondere dagen. De rechtbank zal deze verdeling vaststellen. Nu partijen een drie om vier regeling hebben afgesproken, zijn partijen het er – naar de rechtbank begrijpt – over eens dat de reguliere regeling in de voorjaars- en herfstvakantie doorloopt. De rechtbank zal aldus bepalen.
Wat partijen nog verdeeld houdt, is de zomervakantie en de verdeling van kerst. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige], niet in haar belang is om gedurende drie aaneengesloten weken geen contact te hebben met één van haar ouders. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de moeder ten aanzien van de zomervakantie toewijzen en dat van de vader afwijzen. Wat betreft eerste kerstdag en tweede kerstdag vindt de rechtbank het redelijk dat deze dagen tussen de ouders worden afgewisseld. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen en dat van de moeder afwijzen.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats], tot de kerstvakantie van 2026 de volgende zorgregeling zal gelden: in de ene week verblijft [minderjarige] drie dagen bij de ene ouder en vier dagen bij de andere ouder, en in de daaropvolgende week wordt deze verdeling omgewisseld;
*
bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt worden verdeeld:
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.