ECLI:NL:RBDHA:2026:22698

ECLI:NL:RBDHA:2026:22698

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer C/09/703219 / FA RK 26-3650
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen.

Uitspraak

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 13 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D.H.P.C. Glaudemans in Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.M.C. Wittens in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

De minderjarige [minderjarige] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter op 29 juni 2026.

Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 496,- per maand zal dienen te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van de datum van de indiening van dit verzoek.

De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig – voor zover mogelijk – uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

- indien en voor zover wordt uitgegaan van het primaire scenario van te man, te weten het

scenario waarin hem geen draagkracht kan worden toegedicht: de vrouw een voorlopige bijdrage dient te leveren in de kosten van [minderjarige] van € 190,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de in dezen te wijzen beschikking,

dan wel andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorlopige voorzieningen te treffen, kosten rechtens.

Beoordeling

Toevertrouwing [minderjarige] en uitsluitend gebruik echtelijke woning

Partijen zijn het er over eens dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd. De rechtbank zal dit vaststellen, nu zij dit ook in het belang van [minderjarige] acht.

Daarnaast zijn partijen het er over eens dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegekend. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.

Voorlopige zorgregeling Uit de stukken en hetgeen op zitting is besproken is het volgende gebleken. Sinds het uiteengaan van partijen is er geen sprake geweest van (fysiek) contact tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] heeft moeite met de situatie rondom de echtscheiding en voert hiervoor gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts. Zowel de ouders als [minderjarige] zelf willen dat het contact met de man weer (structureel) hersteld wordt. Voor [minderjarige] is daarbij van belang dat er eerst een gesprek met de man en een neutrale derde plaatsvindt over de ontstane situatie en de gebeurtenissen in het verleden. Ter zitting is gesproken over de mogelijkheden ten aanzien van deze neutrale derde. Partijen zijn overeengekomen dat zij beiden bij de praktijkondersteuner van de huisarts van [minderjarige] zullen informeren of deze bereid is om een gesprek tussen [minderjarige] en de man te begeleiden. Indien de praktijkondersteuner daartoe niet in staat is, zullen de ouders de huisarts verzoeken om een doorverwijzing naar een kindercoach.

De ouders zijn het erover eens dat er uiteindelijk een (voorlopige) zorgregeling moet gelden waarbij [minderjarige] om de week van vrijdagmiddag na school tot zondagavond, en daarnaast wekelijks gedurende één doordeweekse dag na school bij de man zal verblijven. Ook zijn partijen overeengekomen dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld. De rechtbank is eveneens van oordeel dat deze regeling in het belang van [minderjarige] is en zal daarom het verzoek van de man toewijzen. Zoals ter zitting besproken, zal de rechtbank de regeling met ingang van de datum van de beschikking vaststellen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat het herstelgesprek in de periode tussen de zitting en deze beschikking met positief resultaat heeft plaatsgevonden.

Op de zitting is de mogelijkheid van een verwijzing vanuit de rechtbank naar mediation besproken. De ouders hebben hier beiden mee ingestemd. De rechtbank zal de ouders via het mediationbureau naar de voor hen bekende mediator verwijzen. Bij mediation kunnen de ouders onder andere afspraken maken over de definitieve zorgregeling alsmede alle overige zaken in het kader van de echtscheiding.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Alimentatiegerechtigde / alimentatieplichtige

Beide partijen hebben verzocht om vaststelling van een door de andere partij te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Nu de rechtbank [minderjarige] aan de vrouw zal toevertrouwen en zij bij haar staat ingeschreven, wordt de vrouw geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. Zij moet daarom als onderhoudsgerechtigde worden aangemerkt en de man als onderhoudsplichtige. Het verzoek van de man tot betaling door de vrouw van kinderalimentatie zal gelet hierop worden afgewezen. De rechtbank zal hierna beoordelen of de man aan de vrouw een bijdrage moet betalen voor [minderjarige] .

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum beoordelen.

De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoek, namelijk 13 april 2026, bepalen. Vanaf dit moment kon de man rekening houden met vaststelling van een door hem te betalen voorlopige kinderalimentatie.

Behoefte

Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van [minderjarige] € 854,- per maand bedraagt. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

Draagkracht – periodes

De rechtbank zal voor de periodes april en mei 2026, juni en juli 2026, augustus tot en met december 2026 en vanaf 1 januari 2027 afzonderlijke alimentatiebijdragen vaststellen, nu de draagkracht van partijen gedurende deze periodes als gevolg van verschillende omstandigheden is gewijzigd dan wel zal wijzigen. De rechtbank zal dit hierna toelichten.

Kinderalimentatie periode 13 april – mei 2026

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.538,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met het vitaliteitsbudget van € 25,- netto per maand, zoals volgt uit de meest recente salarisspecificaties van de vrouw.

Het kindgebonden budget (KGB) moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het KGB aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

De vrouw verzoekt het KGB niet in aanmerking te nemen bij haar draagkracht, nu de man tot 31 mei 2026 ingeschreven stond op het adres van de echtelijke woning en hij om die reden tot die datum het KGB heeft ontvangen, zonder dit aan de vrouw door te betalen. De man heeft dit niet betwist.

Gelet hierop, maakt de rechtbank voor de draagkracht van de vrouw een onderscheid tussen de periode waarin zij geen KGB ontving, zijnde 13 april 2026 tot 31 mei 2026, en de periode waarin zij wel KGB ontving en zal blijven ontvangen, zijnde vanaf 1 juni 2026. Dit houdt in dat de rechtbank voor de periode van 13 april 2026 tot 31 mei 2026 het KGB niet zal optellen bij het inkomen van de vrouw, maar bij het inkomen van de man.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw van 13 april 2026 tot 31 mei 2026 op € 3.368,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.368 – (1.010 + 1.365)] = € 695,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.419,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de BHV vergoeding van € 25,- bruto per maand en het vitaliteitsbudget van € 25,- netto per maand, zoals volgt uit de meest recente salarisspecificaties van de man.

Zoals hiervoor overwogen, zal de rechtbank het KGB in de periode van 13 april 2026 tot 31 mei 2026 bij het inkomen van de man optellen.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI van 13 april 2026 tot 31 mei 2026 op € 3.463,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.463 – (1.039 + 1.365)] = € 741,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.436,- per maand (€ 695,- + € 741,- ). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 741 / 1.436 x 854 = € 441,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 695 / 1.436 x 854 = € 413,-

samen € 854,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 441,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 413,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Nu er volledig in de behoefte van [minderjarige] wordt voorzien, ziet de rechtbank geen aanleiding – zoals de vrouw heeft gesteld – om voor de man geen woonlasten in aanmerking te nemen. Daarbij komt dat de man, ook al had hij destijds geen eigen woning, wel veel kosten heeft moeten maken voor zijn nieuwe woning.

Zorgkorting

Er is in de maanden april en mei geen sprake geweest van contact tussen [minderjarige] en de man. Conform het rapport zal de rechtbank een zorgkortingspercentage van 5% hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 43,- per maand (5% van € 854,-).

Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man betalen bijdrage bedraagt dan € 398,- per maand (€ 441,- -/- € 43,-).

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw voor de periode van 13 april 2026 tot 31 mei 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 398,- per maand dient te betalen.

Kinderalimentatie juni en juli 2026

Draagkracht vrouw

Voor de draagkracht van de vrouw in juni en juli 2026 gaat de rechtbank uit van dezelfde inkomensgegevens als voor april en mei 2026.

Nu de man zich op 30 mei 2026 heeft uitgeschreven van de echtelijke woning, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw vanaf die periode het KGB wel heeft ontvangen. De rechtbank zal het KGB daarom vanaf dat moment optellen bij het inkomen van de vrouw en niet meer bij de man.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in juni en juli 2026 op € 3.766,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.766 – (1.130 + 1.365)] = € 890,- per maand.

Draagkracht man

Voor de draagkracht van de man in juni en juli 2026 gaat de rechtbank uit van dezelfde inkomensgegevens als voor april en mei 2026.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen over het KGB, telt de rechtbank dit niet meer op bij het inkomen van de man.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in juni en juli 2026 op € 3.057,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.057 – (917 + 1.365)] = € 542,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.432,- per maand (€ 890,- + € 542,- ). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 542 / 1.432 x 854 = € 323,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 890 / 1.432 x 854 = € 531 ,-

samen € 854,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 323,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 531,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Nu er volledig in de behoefte van [minderjarige] wordt voorzien, ziet de rechtbank geen aanleiding – zoals de vrouw heeft gesteld – om voor de man geen woonlasten in aanmerking te nemen. Daarbij komt dat de man, ook al had hij destijds geen eigen woning, wel veel kosten heeft moeten maken voor zijn nieuwe woning.

Zorgkorting

Er is in de maanden juni en juli 2026 geen sprake geweest van contact tussen [minderjarige] en de man. Conform het rapport zal de rechtbank een zorgkortingspercentage van 5% hanteren. De zorgkorting bedraagt dan € 43,- per maand (5% van € 854,-).

Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 280,- per maand (€ 323,- -/- € 43,-).

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw voor de maanden juni en juli 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 280,- per maand dient te betalen.

Alimentatie augustus tot en met december 2026

Draagkracht vrouw

Voor de draagkracht van de vrouw in de maanden augustus tot en met december 2026 gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als voor de maanden juni en juli 2026. De draagkracht van de vrouw bedraagt daarom € 890,- per maand.

Draagkracht man

De man zal met ingang van 31 juli 2026 zijn baan verliezen en heeft een WW-uitkering aangevraagd. De rechtbank gaat er vanuit dat deze uitkering hem zal worden toegekend. Ter zitting is gebleken dat de man in augustus 2026 tevens een ontslagvergoeding van

€ 20.000,- zal ontvangen. De WW-uitkering en de ontslagvergoeding tezamen brengen mee dat de man in de maanden augustus tot en met december 2026 ongeveer hetzelfde inkomen zal (kunnen) hebben als in de maanden juni en juli 2026.

De rechtbank gaat daarom voor de draagkracht van de maanden in de man in de maanden augustus tot en met december 2026 ook uit van dezelfde gegevens als voor de maanden juni en juli.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat er vanaf juli sprake is van een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 214,- per maand (25% van € 854,-)).

Aandeel man

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 109,- per maand (€ 323,- -/- € 214,-).

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw voor de maanden augustus tot en met december 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 109,- per maand dient te betalen.

Alimentatie vanaf januari 2027

Draagkracht vrouw

Voor de draagkracht van de vrouw in de periode vanaf januari 2027 gaat de rechtbank uit van dezelfde gegevens als voor de maanden juni tot en met december 2026. De draagkracht van de vrouw bedraagt daarom € 890,- per maand.

Draagkracht man

Zoals al eerder overwogen, zal de man met ingang van 31 juli 2026 zijn baan verliezen. De rechtbank gaat er vanuit dat de man een WW-uitkering toegekend zal krijgen. Voor de draagkracht van de man vanaf januari 2027 zal de rechtbank daarom uitgaan van een WW-uitkering van € 2.393,- bruto per maand exclusief vakantiegeld (70% van € 3.419,-)

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI vanaf januari 2027 op € 1.815,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de man in aanmerking nemen.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 915,- per maand (€ 890,- + € 25,- ). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 25 / 915 x 854 = € 23,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 890 / 915 x 854 = € 831 ,-

samen € 854,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 23,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 831,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat er vanaf juli 2026 sprake is van een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 214,- per maand (25% van € 854,-)).

Aandeel man

De zorgkorting overstijgt het aandeel van de man. De man hoeft daarom geen bijdrage aan de vrouw te betalen.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] per januari 2027 op nihil zal worden gesteld.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het een kwestie van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2] , en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

*

bepaalt dat de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , [geboorteland], aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat er een voorlopige zorgregeling zal gelden tussen [minderjarige] en de man, zijnde dat [minderjarige] bij de man is:

en waarbij partijen de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte met elkaar zullen verdelen;

*

verwijst partijen via het mediationbureau naar de voor hen bekende mediator om afspraken te maken over de afwikkeling van de echtscheiding;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum indiening van het verzoekschrift (13 april 2026) tot en met mei 2026 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 398,- per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de maanden juni en juli 2026 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 280,- per maand dient te betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw over de maanden augustus tot en met december 2026 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 109,- dient te betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] met ingang van 1 januari 2027 op nihil;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand