Gezag en alimentatie
Beschikking op het op 11 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
zonder vaste woon- en verblijfsplaats in Nederland, blijkens het BRP geregistreerd als
geëmigreerd.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een gesprek gehad met de kinderrechter op 20 januari 2026.
Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
In de Basisregistratie Personen staat de man opgenomen als niet-ingezetene (RNI) met een onbekende verblijfplaats in het buitenland. De man is openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de op 24 maart 2026 verschenen editie van de Staatscourant. Ook is een oproep voor de zitting verzonden naar het bij de vrouw bekende e-mail adres van de man. De man is, ondanks dat hij op de juiste wijze is opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- primair: de vrouw voortaan belast is met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
subsidiair: vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van de paspoorten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], en voor de inschrijving van [minderjarige 1] op de school [schoolnaam], gevestigd aan [adres] te [plaats];
- te bepalen dat de man met ingang van 27 maart 2024 een bijdrage dient te voldoen van
€ 196,- per maand per kind.
De man heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Wijziging gezag
De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aan. De man is voor de vrouw niet bereikbaar en weigert elke vorm van communicatie. Het lukt niet om de benodigde toestemming van de man te verkrijgen voor bijvoorbeeld de school van [minderjarige 1] en de paspoorten van de kinderen. Het is voor de vrouw onmogelijk om samen met de man beslissingen over de kinderen te nemen. De jeugdbeschermer die destijds betrokken was heeft de vrouw geadviseerd om een verzoek in te dienen tot wijziging van het gezag.
Op grond van artikel 1:253n tweede lid BW in samenhang met artikel 1:251a eerste en derde lid BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de overeenkomstige toepassing van artikel 1:251a eerste en derde lid BW dient in dat geval beoordeeld te worden of a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De man is naar een onbekende verblijfsplaats in het buitenland vertrokken en hij heeft al geruime tijd geen contact meer met de kinderen. Daarom is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Allereerst geeft de man feitelijk geen invulling meer aan het gezag over de kinderen. Hij is onbereikbaar voor de vrouw, waardoor het niet mogelijk is om met hem in overleg te treden over gezagsgerelateerde beslissingen. Dit leidt herhaaldelijk tot problemen. Zo is er al eerder een procedure voor vervangende toestemming voor medische handelingen voor de kinderen geweest en lukt het de vrouw nu opnieuw niet om toestemming te verkrijgen voor de paspoorten van de kinderen en de inschrijving op de school van [minderjarige 1]. Daarnaast is man al meerdere jaren niet meer betrokken bij de verzorging en opvoeding van de kinderen, waardoor hij geen weet heeft van zich afspeelt in hun leven. De rechtbank acht de man dan ook onvoldoende in staat om in te schatten waar de belangen van de kinderen het meest mee zijn gediend als het aankomt op gezagsbeslissingen.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om haar voortaan met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten in het belang van de kinderen toewijzen. Hieruit volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan het subsidiaire verzoek van de vrouw.
Kinderalimentatie
Aan de man is op de bij wet voorgeschreven wijze de inhoud van het verzoekschrift medegedeeld. Tegen de verzochte kinderalimentatie kon door de man tot aan de afloop van de verweertermijn verweer worden gevoerd. De rechtbank heeft geen verweerschrift ontvangen binnen die termijn. Het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie is derhalve niet weersproken en zal daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.
De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vaststellen met ingang van 27 maart 2024. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, met ingang van 1 januari 2025 tot een bedrag van € 209,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 218,- per maand per kind. Per 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, [de vrouw], geboren op [geboortedatum 3] 1985 in [geboorteplaats 2], het gezag zal toekomen over de minderjarigen:
*
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]:
vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*wijst af het meer of anders verzochte.