RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/705119 / JE RK 26-829
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
samenwonende in [woonplaats] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat: mr. B.J. de Bruijn te Den Haag
[de gezinshuisouder] ,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de gezinshuisouder.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 9 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, om de gecertificeerde instelling in de gelegenheid te stellen (nader) inhoudelijk te reageren op het verweer van de ouders, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor een kortere periode dan verzocht, te weten tot 15 juli 2026, verlengd en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2026 om 12:00 uur.
De rechtbank neemt (wederom) de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;
- de verslagen van Coach Vooruit betreffende [de broer] , ingediend door de gecertificeerde instelling op 2 juni 2026;
- het ter zitting van 9 juni 2026 voorgedragen verweerschrift namens de ouders.
Gelet op de samenhang tussen onderstaande zaak en de zaak van de broer van [de minderjarige] ( [de broer] ), zal de rechtbank – zoals ter zitting besproken – alle stukken die zijn ingediend in de ene zaak beschouwen als ingediend in de andere zaak en vice versa.
Op 25 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de ouders met hun advocaat;
de gezinshuisouder van [de minderjarige] , de heer [de gezinshuisouder] ;
[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2. De feiten
Voor de feiten, voor zover deze [de minderjarige] betreffen, verwijst de rechtbank naar de (tussen)beschikking van 9 juni 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling handhaaft de verzoeken, te weten de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor dezelfde duur. Eveneens is gehandhaafd het verzoek aan de rechtbank om zich, in het licht van de te nemen beslissing over de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, uit te laten over het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit betreffende [de minderjarige] , alles -voor zover mogelijk- met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Op de onderbouwing van het verzoek wordt hierna, voor zover noodzakelijk, nader ingegaan.
4. Het standpunt van de ouders
De ouders zijn het niet eens met het verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en het genomen perspectiefbesluit. Primair verzoeken de ouders de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling niet te onderschrijven. Er moet serieus worden onderzocht of terugplaatsing mogelijk is dan wel de omgang, als tussenstap, substantieel uitgebreid kan worden. De ouders houden heel veel van [de minderjarige] , zij zetten zich beide volledig in en maken er het beste van. De vader functioneert consistent goed en is aantoonbaar bereid tot samenwerking en de omgangsmomenten van [de minderjarige] verlopen goed en zonder noemenswaardige incidenten. Een eerlijke kans is hen tot nu toe onthouden. Mocht de rechtbank hier niet toe overgaan, dan vragen de ouders de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere periode dan verzocht te verlengen en zich pas uit te laten over het perspectiefbesluit (en de behandeling van het verzoek voor dat doel aan te houden) als:- de gecertificeerde instelling heeft ingezet op uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] ;- de traumabehandeling van [de minderjarige] is afgerond en de resultaten van die behandeling bekend zijn geworden;- onderzocht is of de vader zelfstandig opvoeder van [de minderjarige] kan worden;- een netwerkscreening bij de grootouders van moederszijde is uitgevoerd.De ouders hebben verder aangevoerd dat de kinderrechter bij eerdere beschikking heeft bepaald dat de screening door Veilig Thuis leidend moet zijn voor het perspectief; die screening is uitgevoerd en bevestigt de bevindingen van de gecertificeerde instelling niet. Ten slotte is aangedragen dat de conclusie dat de moeder niet leerbaar is, niet is gebaseerd op onafhankelijk klinisch onderzoek, maar slechts op de observaties van de jeugdbeschermer.
5. De beoordeling
Gezag
De gecertificeerde instelling heeft in de stukken opgenomen dat zowel de moeder als de vader belast zijn met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De rechtbank constateert dat de ouders niet gehuwd zijn (geweest). Uit de beschikbare stukken volgt dat de vader [de minderjarige] heeft erkend. Deze erkenning heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2023. Op dat moment was het verkrijgen van gezag nog niet verbonden aan de erkenning. Daarnaast is er in het gezagsregister geen aantekening opgenomen dat de ouders het gezamenlijk het gezag uitoefenen. De rechtbank is daarom, gelet op het bepaalde in artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek van oordeel dat slechts de moeder belast is het met het gezag over [de minderjarige] .
Kern van de beslissing
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de resterende duur van het verzoek, dat wil zeggen tot 15 juni 2027. Daarnaast verlengt de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, ook tot 15 juni 2027. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt.De rechtbank is verder van oordeel dat de gecertificeerde instelling op goede gronden heeft besloten dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de ouders ligt, dus dat [de minderjarige] niet meer volledig bij de ouders kan wonen en dat niet meer actief behoeft te worden toegewerkt naar een (volledige) terugplaatsing van [de minderjarige] bij de ouders. Ook dat wordt hierna verder uitgelegd.
Toelichting
Verlenging ondertoezichtstelling
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ouders hebben tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ook geen verweer gevoerd. Volgens de rechtbank wordt [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd en is het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer nog langer betrokken blijft. [de minderjarige] heeft in de thuissituatie ernstig (seksueel) grensoverschrijdend gedrag laten zien richting zijn ouders en broer, en ook op school heeft dit zich voorgedaan. Daarnaast zijn er grote zorgen over het mogelijk seksueel grensoverschrijdende gedrag dat hij in de thuissituatie zelf heeft meegemaakt. Uit diagnostisch onderzoek volgt dat er sprake is van zogenoemde externaliserende gedragsproblematiek en trauma- en hechtingsproblemen. Duidelijk is dat [de minderjarige] een sterk verhoogde opvoedbehoefte heeft, wat inhoudt dat hij, wat zorg en opvoeding betreft, méér vraagt van een ouder/opvoeder dan een gemiddeld kind en dat hij continu sturing, toezicht en begeleiding nodig heeft. De contactmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder verlopen moeizaam – het contact heeft zelfs tijdelijk stilgelegen – en ook wat dit betreft is constante begeleiding en sturing nodig. Het is noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken blijft. De jeugdbeschermer kan de ontwikkeling van [de minderjarige] blijven monitoren en aan de hand daarvan de juiste hulpverlening voor hem inzetten. Verder kan de jeugdbeschermer toezicht houden op de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de ouders en direct ingrijpen zodra dat nodig is. Er is een zeer belaste voorgeschiedenis en er is concreet toegelicht dat de ouders het (seksueel) grensoverschrijdende gedrag niet (h)erkennen. De rechtbank deelt de overtuiging dat er onvoldoende vertrouwen is dat het de ouders gaat lukken om in het vrijwillig kader de noodzakelijke hulp te regelen. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling daarom voor de nog resterende duur van het verzoek, te weten tot 15 juni 2027, verlengen.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en perspectiefbesluit
Wettelijke basis om zich als rechtbank uit te laten over het perspectiefbesluit
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De gecertificeerde instelling heeft de rechtbank verzocht zich in dit verband ook uit te laten over het genomen besluit dat [de minderjarige] niet bij zijn ouders zal opgroeien, maar in het gezinshuis waar hij momenteel verblijft. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen zelfstandige rechtsingang is waarin het opvoedbesluit (lees: perspectiefbesluit) als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De rechter mag wel een opvoedbesluit beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opvoedperspectief. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op het verzoek van de gecertificeerde instelling om de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen samenhangt met het perspectiefbesluit. Het genomen perspectiefbesluit is namelijk van invloed op de uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling zal, als de rechtbank het perspectiefbesluit onderschrijft, namelijk niet langer actief terugwerken aan een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de ouders en zal hierop geen hulp meer inzetten. De rechtbank zal zich daarom hierna ook over het perspectiefbesluit uitlaten.
Plaatsing en voortzetting huidige plek in het gezinshuis
[de minderjarige] is in november 2024 met spoed uit huis geplaatst nadat er ernstige zorgen waren over het seksueel grensoverschrijdende gedrag dat hij op school liet zien richting andere kinderen en de juffen. Ook waren er op dat moment ernstige zorgen over onhandelbaar gedrag van [de minderjarige] in de thuissituatie. Uit de stukken volgt dat [de minderjarige] het afgelopen anderhalf jaar in het gezinshuis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. In het gezinshuis leert [de minderjarige] , door de intensieve ondersteuning, wat passend gedrag is en hoe hij zichzelf kan reguleren. [de minderjarige] kampt met complexe en forse kind-eigen problematiek en heeft hierdoor een zware opvoedbehoefte. Dit vraagt om een specialistische aanpak van zijn verzorger en opvoeder. Het is in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en voor zijn ontwikkeling daarom noodzakelijk dat zijn plaatsing in het gezinshuis wordt voortgezet en de rechtbank zal de machtiging uithuisplaatsing daarom verlengen. De rechtbank zal dit hieronder nader toelichten.
Onvoldoende verbetering in de opvoedsituatie bij de ouders
Uit de stukken en de toelichting ter zitting maakt de rechtbank op dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders zoals die aanwezig waren ten tijde van de uithuisplaatsing nog onverminderd aanwezig zijn. De gecertificeerde instelling heeft concreet onderbouwd dat de ouders de zorgen over de thuissituatie onvoldoende herkennen, erkennen en dat zij (zeer) beperkte leerbaarheid tonen. Met name bij de moeder lijkt er sprake van een gebrek aan inzicht en reflectievermogen. Het is de jeugdbeschermer ondanks herhaalde pogingen niet gelukt om met de moeder serieus in gesprek te gaan over de problematiek van [de minderjarige] en haar eigen rol hierin. De moeder lijkt niet in te kunnen of willen zien dat in de thuissituatie bepaald gedrag van de oudere broer [de broer] naar [de minderjarige] , maar mogelijk ook van de moeder naar [de minderjarige] , (seksueel) grensoverschrijdend is geweest. Verder zijn er zorgen over de psychische kwetsbaarheid van de moeder. Gesprekken met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening stagneren en/of escaleren en afspraken worden niet nagekomen. De moeder is hierin ook niet te sturen. Dit heeft ook invloed op de contactmomenten met [de minderjarige] . Uit de verslagen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder volgt dat de moeder tijdens de contactmomenten niet altijd kan aanvoelen welke zaken niet in aanwezigheid van [de minderjarige] moeten worden besproken. De moeder kan uitspraken doen in aanwezigheid van [de minderjarige] die hem sterk (emotioneel) ontregelen. De moeder is hierin vrijwel niet te sturen en lijkt niet te begrijpen waarom wat zij zegt, niet passend is. De gecertificeerde instelling heeft uit het verloop van de contacten met de moeder, het waargenomen gedrag en de observaties van derden terecht de conclusie getrokken dat de moeder (te) beperkt leerbaar is. Ook een schriftelijke aanwijzing en stopbrieven hebben geen verandering teweeg kunnen brengen. Anders dan namens de ouders betoogd, is voor die conclusie niet vereist dat deze gestoeld is op een onafhankelijke klinische prognose van de behandelaar.
Hoewel uit de stukken en ook de toelichting ter zitting duidelijk is geworden dat de vader wel goed in contact is met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening en hij zich wel zo goed mogelijk aan afspraken probeert te houden, is evenzeer duidelijk geworden dat het ook hem niet lukt om de moeder te begrenzen en te reguleren. Zijn draagkracht lijkt op te zijn. Onbestreden is gebleven dat hij dit ook zelf aan de jeugdbeschermer heeft laten weten. De gecertificeerde instelling heeft daaraan de gevolgtrekking mogen verbinden dat het geen reële optie is om verder te onderzoeken of de vader als zelfstandig opvoeder kan fungeren.
Door het geschetste, en grotendeels onbestreden gebleven feitelijk verloop van het afgelopen jaar is het niet mogelijk gebleken om tot daadwerkelijke veranderingen in de opvoedsituatie bij de ouders te komen. In dit verband is ook van belang dat er in het verleden jarenlang – eerst vanuit het vrijwillig kader – hulpverlening is ingezet in de thuissituatie, die evenwel niet het gewenste effect heeft gehad. Ook in eerdere trajecten gegeven adviezen lijken niet te beklijven en het is ook toen niet gelukt om de adviezen die werden gegeven (voldoende) toe te passen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de ouders niet beschikken over de opvoedvaardigheden die nodig zijn voor de opvoeding van [de minderjarige] . Dit betekent dat als [de minderjarige] weer (volledig) bij de ouders zal gaan wonen, er nog steeds sprake zal zijn van een voor hem ontoereikende en ook onveilige opvoedsituatie.
Het perspectiefbesluit
De gecertificeerde instelling is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het noodzakelijke vertrouwen, dat de opvoedsituatie bij de ouders zodanig zal veranderen dat zij wél in staat zijn om de volledige opvoeding en verzorging voor [de minderjarige] te dragen, ontbreekt. De rechtbank laat daarbij zwaar meewegen dat de noodzaak tot inzicht en verandering evident is, maar dat in de afgelopen periode, zoals hierboven is overwogen, niet is gebleken van voldoende leerbaarheid van -met name- de moeder.
De ouders hebben voorts naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling het netwerk van de ouders en de optie van de vader als zelfstandig opvoeder onvoldoende heeft onderzocht. Dat verweer mist feitelijke grondslag. De gecertificeerde instelling heeft dit wel degelijk onderzocht, maar dit onderzoek is gestrand. Ter zitting heeft de jeugdbeschermer in dit verband toegelicht dat de het voor het slagen van een eventuele netwerkplaatsing bij de grootouders van moederszijde noodzakelijk is dat zij weerstand kunnen bieden tegen het gedrag van de moeder, en dat de vader heeft verteld dat de grootouders hiertoe niet in staat zijn. De vader zelf heeft -zoals hiervoor reeds besproken- een beperkte draagkracht en heeft meermaals aangegeven er doorheen te zitten. De gecertificeerde instelling heeft bij de vraag of de vader zelfstandig als opvoeder kan fungeren terecht meegenomen in hoeverre de vader tegemoet kan komen aan de zware opvoedbehoefte van [de minderjarige] , die veel sturing en nabijheid van de opvoeders vraagt en daarnaast voldoende sensitiviteit om te kunnen aansluiten bij de behoeften die voortvloeien uit zijn kind-eigen problematiek. Desgevraagd heeft de vader ter zitting ook niet kunnen schetsen hoe hij een zelfstandig ouderschap zal kunnen gaan vormgeven. De gecertificeerde instelling heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat voor verder onderzoek naar plaatsing bij de grootouders of de mogelijkheid van een zelfstandige opvoedersrol van de vader geen ruimte meer is.
Daarnaast is de rechtbank – anders dan de ouders – van oordeel dat het feit dat voor [de minderjarige] de traumabehandeling nog niet is gestart, er niet aan in de weg staat dat zij zich uitlaat over het perspectiefbesluit. De vraag die de rechtbank in dat kader moet beantwoorden is of de thuissituatie van [de minderjarige] bij de ouders, binnen een aanvaardbare termijn, voldoende veilig is voor hem. Hiervoor is reeds overwogen dat dit niet het geval is. Aan thuisplaatsing van [de minderjarige] staat niet zozeer zijn problematiek in de weg, maar de belemmeringen en kwetsbaarheden van de ouders. Dit zal niet veranderen door de uitkomst van de traumabehandeling van [de minderjarige] .
De ouders hebben ook opgeworpen dat uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2025 volgt dat de screening van Veilig Thuis betreffende de signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag leidend moet zijn voor het te nemen perspectiefbesluit; dat die screening is uitgevoerd en de bevindingen van de gecertificeerde instelling niet bevestigt. Nog los van de inhoud van die screening en de conclusies die hier wel of niet aan verbonden kunnen worden, berust dit standpunt van de ouders op een verkeerde lezing van genoemde beschikking. Daarin is immers overwogen dat de uitkomst van de Veilig Thuis-screening leidend moet zijn voor de (waar mogelijk) stapsgewijze uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] . Dit verweer wordt reeds hierom gepasseerd.
De ouders hebben verder naar voren gebracht dat uit deze screening blijkt dat [de minderjarige] , anders dan in het contact met zijn broer, geen seksueel grensoverschrijdende situaties heeft meegemaakt. Daarmee wordt er echter aan voorbijgegaan dat in de stukken ook melding is gemaakt van een zorgwekkend incident in het gezinshuis voor het slapen gaan, beschreven door een van de begeleiders, en ook miskent dit verweer de documentatie van de school waarin zorgelijke signalen worden gemeld die mogelijk duiden op door [de minderjarige] meegemaakt (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. De rechtbank is verder, anders dan namens de ouders betoogd, van oordeel dat niet kan worden voorbijgegaan aan de zorgelijke signalen uit de gesprekken die [de minderjarige] heeft gehad - ná de gesprekken voor de Veilig Thuis screening – met de gezinshuisouder. Het is voor [de minderjarige] van groot belang dat al deze signalen wel serieus worden genomen.
Contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders en met zijn broer [de broer]
De rechtbank benadrukt ten slotte dat de gecertificeerde instelling de komende periode actief moet blijven onderzoeken welke rol de ouders kunnen hebben in het leven van [de minderjarige] . Uit de contactverslagen en hetgeen tijdens de zitting is besproken, volgt onmiskenbaar dat de ouders veel van [de minderjarige] houden, dat zij hem missen en dat er sprake is van een liefdevolle band. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling het contact tussen [de minderjarige] en de ouders blijft evalueren en steeds blijft onderzoeken of dit contact op termijn kan worden uitgebreid of anders kan worden vormgegeven dan het nu plaatsvindt. Het belang en de veiligheid van [de minderjarige] dienen hierbij altijd voorop te staan. Daarnaast moet ook gekeken worden naar het contact tussen [de minderjarige] en [de broer] . Hoewel is gebleken dat de broertjes nog duidelijk sturing nodig hebben bij het onderlinge contact, hebben zij ook veel baat bij dit contact. De rechtbank vindt het erg belangrijk dat dit contact tussen de broertjes, ook met het oog op hun (identiteits)ontwikkeling, structureel wordt voortgezet. Doordat de kinderen niet bij elkaar wonen en het perspectief ook niet meer bij de ouders ligt is hun onderlinge contact niet meer vanzelfsprekend. Het is daarom des te noodzakelijker dat er een concrete en duidelijke contactregeling tot stand komt.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De rechtbank:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 15 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 15 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, mr. J.E. Bierling en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.