ECLI:NL:RBDHA:2026:22707

ECLI:NL:RBDHA:2026:22707

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer C/09/702177 / FA RK 26-3001
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorzieningen. Uitsluitend gebruik van de woning, voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie.

Uitspraak

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 26 maart 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M. Jonkman te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek.

Op 3 juli 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1].

- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats].

- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 2], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten;

- het minderjarige kind van partijen aan de vrouw wordt toevertrouwd;

- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 352,25 per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor de toevertrouwing van [minderjarige] – thans nog verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens verzoekt de man zelfstandig nog:

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen wordt vastgesteld zoals door de man weergegeven in randnummers 7 tot en met 9 van zijn verweerschrift, althans een zodanige zorgregeling zoals de rechtbank redelijk acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert – onder referte voor de zomervakantie – thans nog verweer tegen het overige, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Toevertrouwing [minderjarige]

De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank zal dit verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning

De vrouw heeft verzocht het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te verkrijgen en heeft dit verzoek als volgt onderbouwd. De vrouw heeft met [minderjarige] de echtelijke woning tijdelijk verlaten en verblijft bij haar ouders met hem in een kleine logeerkamer. De vrouw heeft belang bij verblijf in de echtelijke woning met [minderjarige] en heeft de man verzocht de echtelijke woning te verlaten. Het is belangrijk voor met name [minderjarige] dat hij in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven, waar hij meer ruimte heeft om te spelen. Deze ruimte heeft hij nu niet. Van belang is verder dat de man de woonlasten niet volledig voldoet. Inmiddels heeft hij twee betalingen gedaan voor de hypotheek, maar hij laat na om de kosten voor gas, water en licht te voldoen. Evenmin voldoet hij de kosten voor internet en de gemeentelijke belastingen. De vrouw kan deze kosten volledig zelf dragen als zij weer in de echtelijke woning verblijft.

De man voert verweer. De woning van de ouders van de vrouw is ruim genoeg en de vrouw en [minderjarige] beschikken over meer ruimte dan de vrouw stelt. Ook buiten heeft [minderjarige] ruimte om te spelen. De vrouw en [minderjarige] verblijven daar sinds november 2025. Het is in deze woningmarkt moeilijk om vervangende woonruimte te vinden voor de man. Beide huidige verblijfplekken van partijen zijn in de buurt van de school en hobby’s van [minderjarige]. Het is de vraag of de man op korte termijn binnen deze afstand een woning kan vinden. Gezien de huidige woningmarkt is dit lastig, maar hij heeft aangegeven hard op zoek te zijn. Hij is met de vrouw van mening dat zij uiteindelijk met [minderjarige] terug naar de echtelijke woning zal gaan, maar voor de duur van de echtscheidingsprocedure kan hij niet nu direct over andere woonruimte beschikken. De man heeft er daarom belang bij nu nog in de echtelijke woning te kunnen verblijven, totdat hij een nieuwe woning gevonden heeft. Indien hij nu de echtelijke woning zou moeten verlaten, bestaat het risico dat hij [minderjarige] niet meer kan zien, omdat hij geen woonruimte heeft waar hij [minderjarige] conform de zorgregeling kan ontvangen. Ten aanzien van de hypotheeklasten stelt de man dat hij deze volledig vergoed. De gebruikerslasten is hij ook bereid te voldoen, voor de periode dat hij in de echtelijke woning verblijft.

De rechtbank overweegt als volgt. In de belangenafweging die de rechtbank moet maken is het belang van [minderjarige] het uitgangspunt. Het is in zijn belang om met zijn beide ouders contact te hebben en te houden. In de situatie zoals deze nu is, heeft [minderjarige] contact met beide ouders en dit verloopt naar behoren. Als de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning toegekend zou krijgen en de man de echtelijke woning moet verlaten, is het onduidelijk waar de man terecht komt en of uitvoering kan blijven gegeven worden aan de voorlopige zorgregeling met [minderjarige]. Daarnaast weegt de rechtbank in haar oordeel mee dat de vrouw sinds november 2025 al bij haar ouders verblijft. Hoewel de vrouw heeft aangegeven dat dit niet een ideale situatie betreft, heeft zij – anders dan de man – momenteel wel een alternatieve woonruimte tot haar beschikking waar zij met [minderjarige] kan verblijven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.

De rechtbank neemt wel in haar overweging mee dat de man zich op de zitting op het standpunt heeft gesteld dat wat hem betreft de vrouw en [minderjarige] uiteindelijk zullen terugkeren naar de echtelijke woning, zodra hij andere woonruimte heeft gevonden. Hij heeft aangegeven momenteel hard opzoek te zijn naar een andere woning en heeft ook een aantal bezichtigingen bij woningen gehad, die echter nog niet tot resultaat hebben geleid. De rechtbank gaat ervanuit dat de man zijn toezeggingen zal nakomen en binnen afzienbare termijn naar een andere woning zal verhuizen. De rechtbank wijst erop dat als de vrouw gedurende de echtscheidingsprocedure om wijziging vraagt van de in deze zaak gegeven voorlopige voorzieningen, de rechtbank bij dan de toezegging van de man ook in aanmerking zal nemen. Dit kan tot gevolg hebben dat het oordeel van de rechtbank over het gebruik van de woning dan anders uitvalt. Partijen zijn het er immers over eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij uiteindelijk met de vrouw terugkeert naar de echtelijke woning.

Voorlopige zorgregeling

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de voorlopige zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] ieder weekend op zaterdag na de hockey tot zondagmiddag 17.30 uur (na het eten) bij de man is, waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt naar en van de man. Daarnaast is [minderjarige] van donderdagmiddag na de BSO tot vrijdagochtend naar school bij de man, waarbij de man [minderjarige] op donderdagmiddag de BSO ophaalt en vrijdagochtend naar school brengt.

Zodra de man over een auto beschikt, zal de voorlopige zorgregeling uitbreiden naar eenmaal in de twee weken van vrijdag na school tot zondag 17.30 uur (na het eten), waarbij de man [minderjarige] zal halen en brengen, alsmede in de week dat [minderjarige] niet in het weekend bij de man verblijft van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school, waarbij de man [minderjarige] op donderdagmiddag de BSO ophaalt en vrijdagochtend naar school brengt Partijen zijn het hierover eens, zodat de rechtbank dit als overeenstemming zal vastleggen in het dictum.

Daarnaast heeft de man verzocht een vakantie- en feestdagenregeling vast te leggen. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] gedurende de komende zomervakantie in de tweede en vierde week bij de man zal verblijven. Voor het overige zullen de advocaten van partijen met elkaar in overleg zullen treden om hier afspraken met elkaar over te maken. De rechtbank heeft hier verder daarom niets op te beslissen.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.

Behoefte [minderjarige]

De behoefte van [minderjarige] is niet tussen partijen in geschil. Deze bedroeg in 2025 € 990,- per maand, wat geïndexeerd naar 2026 € 1.036,- per maand bedraagt.

Draagkracht man

Partijen zijn het erover eens dat voor de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met zijn bruto maandinkomen van € 5.033,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en € 858,- per maand aan Individueel Keuzebudget (IKB). Verder moet rekening gehouden worden met zijn pensioenpremie van afgerond € 349,- per maand en zijn AP-premie van afgerond € 10,- per maand.

De rechtbank berekent op basis hiervan zijn netto besteedbaar inkomen in 2026 op € 4.138,- per maand.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 1.072,- per maand.

Draagkracht vrouw

Tussen partijen is de draagkrachtberekening van de vrouw in geschil. De vrouw stelt dat gerekend moet worden met haar huidige brutoloon van afgerond € 6.725,- per maand. De vrouw zit in de Ziektewet en ontvangt daarom 70% van haar bruto-inkomen. De man stelt daarentegen dat van haar volledige bruto-inkomen van € 9.607,- uitgegaan moet worden, omdat zij de verdiencapaciteit heeft om dit inkomen te verdienen.

Zoals eerder overwogen, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige kinderalimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt. De rechtbank zal rekenen met het huidige inkomen van de vrouw van € 6.725,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende ingehouden premies:

De rechtbank berekent op basis daarvan haar netto besteedbaar inkomen in 2026 op € 4.987,- per maand.

Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule van 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.488,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.560,- per maand (€ 1.072 + € 1.488). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.072 / 2.560 x 1.036 = € 434

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.488 / 2.560 x 1.036 = € 602

samen € 1.036

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 434,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 602,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Gelet op de huidige vastgestelde zorgregeling waarbij [minderjarige] momenteel iedere week op zaterdag en zondag bij de man zal zijn, alsmede van donderdagmiddag tot vrijdagochtend en twee weken in de zomervakantie, zal de rechtbank een zorgkorting hanteren van 25%. De man heeft conform deze voorlopige zorgregeling immers gemiddeld twee dagen per week de zorg voor [minderjarige]. Dit bedraagt dan € 259,- per maand (25% van € 1.036,-).

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 175,- per maand (€ 434 -/- € 259). De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen per datum beschikking.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats],

aan de vrouw zal worden toevertrouwd;

*

bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben:

- in de periode dat hij nog niet over een auto beschikt:

- ieder weekend op zaterdag na de hockey tot zondagmiddag 17.30 uur (na het eten) bij de man is, waarbij de vrouw [minderjarige] brengt en haalt naar en van de man;

- iedere donderdagmiddag uit de BSO tot vrijdagochtend naar school, waarbij de man [minderjarige] ophaalt van de BSO en vrijdagochtend naar school brengt;

- zodra hij over een auto beschikt:

- om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.30 uur (na het eten);

- in de week dat [minderjarige] niet bij de man in het weekend verblijft van donderdagmiddag uit de BSO tot vrijdagochtend naar school, waarbij de man [minderjarige] op donderdagmiddag de BSO ophaalt en vrijdagochtend naar school brengt;

- gedurende de zomervakantie van 2026 in de tweede en de vierde week van de schoolvakanties;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 175,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Boot

Griffier

  • mr. L.E. Meisters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand