ECLI:NL:RBDHA:2026:22712

ECLI:NL:RBDHA:2026:22712

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-07-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer C/09/705116 / JE RK 26-826
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accomodatie van een jeugdhulpaanbieder voor resterende duur. Toetsing perspectief op verzoek van de gecertificeerde instelling. Verweer ouders houdt geen stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/705116 / JE RK 26-826

Datum uitspraak: 14 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

samenwonende in [woonplaats] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. B.J. de Bruijn te Den Haag.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij beschikking van 9 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, om de gecertificeerde instelling in de gelegenheid te stellen (nader) inhoudelijk te reageren op het verweer van de ouders, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor een kortere periode dan verzocht, te weten tot 15 juli 2026, verlengd en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2026 om 12:00 uur.

De rechtbank neemt (wederom) de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;

- de verslagen van [zorginstantie] betreffende [minderjarige 1] , ingediend door de gecertificeerde instelling op 2 juni 2026;

- het ter zitting van 9 juni 2026 voorgedragen verweerschrift namens de ouders.

Gelet op de samenhang tussen onderstaande zaak en de zaak van het broertje van [minderjarige 1] ( [minderjarige 2] ), zal de rechtbank – zoals ter zitting besproken – alle stukken die zijn ingediend in de ene beschouwen als ingediend in de andere zaak en vice versa.

Op 25 juni 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders met hun advocaat;

- de gezinshuisouder van [minderjarige 2] , de heer [naam 1] ;

- [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.

2. De feiten

Voor de feiten, voor zover deze [minderjarige 1] betreffen, verwijst de rechtbank naar de beschikking van 9 juni 2026.

3. Het verzoek

De gecertificeerde instelling handhaaft de verzoeken, te weten de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor dezelfde duur. Eveneens is gehandhaafd het verzoek aan de rechtbank om zich, in het licht van de te nemen beslissing over de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, uit te laten over het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit betreffende [minderjarige 1] , alles -voor zover mogelijk- met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Op de onderbouwing van de verzoeken wordt hierna, voor zover noodzakelijk, nader ingegaan.

4. Het standpunt van de ouders

De ouders zijn het niet eens met het verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en het genomen perspectiefbesluit. Primair verzoeken de ouders de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling niet te onderschrijven. Er moet serieus worden onderzocht of terugplaatsing mogelijk is dan wel de omgang, als tussenstap, substantieel uitgebreid kan worden. De ouders houden heel veel van [minderjarige 1] , zij zetten zich beide volledig in en maken er het beste van. De vader functioneert consistent goed en is aantoonbaar bereid tot samenwerking en de omgangsmomenten van [minderjarige 1] verlopen goed en zonder noemenswaardige incidenten. Een eerlijke kans is hen tot nu toe onthouden. Mocht de rechtbank hier niet toe overgaan, dan vragen de ouders de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere periode dan verzocht te verlengen en zich pas uit te laten over het perspectiefbesluit (en de behandeling van het verzoek voor dat doel aan te houden) als:- de gecertificeerde instelling heeft ingezet op uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [minderjarige 1] ;- de traumabehandeling van [minderjarige 1] is afgerond en de resultaten van die behandeling bekend zijn geworden;- onderzocht is of de vader zelfstandig opvoeder van [minderjarige 1] kan worden;- een netwerkscreening bij de grootouders van moederszijde is uitgevoerd.De ouders hebben verder aangevoerd dat de kinderrechter bij eerdere beschikking heeft bepaald dat de screening door Veilig Thuis leidend moet zijn voor het perspectief; die screening is uitgevoerd en bevestigt de bevindingen van de gecertificeerde instelling niet. Ten slotte is aangedragen dat de conclusie dat de moeder niet leerbaar is, niet is gebaseerd op onafhankelijk klinisch onderzoek, maar slechts op de observaties van de jeugdbeschermer.

5. De beoordeling

Gezag

De gecertificeerde instelling heeft in de stukken opgenomen dat zowel de moeder als de vader belast zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De rechtbank constateert dat de ouders niet gehuwd zijn (geweest). Uit de beschikbare stukken volgt dat de vader [minderjarige 1] heeft erkend. Deze erkenning heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2023. Op dat moment was het verkrijgen van gezag nog niet verbonden aan de erkenning. Daarnaast is er in het gezagsregister geen aantekening opgenomen dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De rechtbank is daarom, gelet op het bepaalde in artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek, van oordeel dat slechts de moeder belast is het met het gezag over [minderjarige 1] .

Kern van de beslissing

De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de resterende duur van het verzoek, dat wil zeggen tot 15 juni 2027. Daarnaast verlengt de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, ook tot 15 juni 2027. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt.De rechtbank is verder van oordeel dat de gecertificeerde instelling op goede gronden heeft besloten dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de ouders ligt, dus dat [minderjarige 1] niet meer volledig bij de ouders kan wonen en dat niet meer actief behoeft te worden toegewerkt naar een (volledige) terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders. Ook dat wordt hierna verder uitgelegd.

Toelichting

Verlenging ondertoezichtstelling

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ouders hebben tegen verlenging van de ondertoezichtstelling ook geen verweer gevoerd. Volgens de rechtbank is er nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is een kwetsbare jongen die een belaste voorgeschiedenis heeft en daarnaast kampt met persoonlijke problematiek en uitdagingen. Er bestaan zorgen over (seksueel) grensoverschrijdende gedrag dat [minderjarige 1] in de thuissituatie heeft meegemaakt én het effect dat dit mogelijk heeft gehad op zijn (sociaal-emotionele) ontwikkeling. Uit de stukken volgt dat [minderjarige 1] moeite heeft met het tonen van passend gedrag, met omgaan met nabijheid en het herkennen van (sociale en fysieke) grenzen van anderen. Hoewel het positief is dat [minderjarige 1] het afgelopen jaar op de groep waar hij verblijft, met de inzet van intensieve begeleiding en hulpverlening, stappen vooruit heeft gezet, wordt ook gezien dat er nog een lange weg te gaan is en dat sturing nodig blijft. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer de komende periode regie kan blijven voeren op de ingezette begeleiding en hulpverlening en [minderjarige 1] ’s ontwikkeling kan blijven monitoren. In dit verband vindt de rechtbank ook van belang dat de ouders de -door verschillende instanties beschreven- (seksueel) grensoverschrijdende aard van het gedrag in de thuissituatie niet (h)erkennen. Ook daarom is het noodzakelijk dat er een onafhankelijke professional betrokken blijft – in de persoon van de jeugdbeschermer – die de belangen van [minderjarige 1] voorop kan stellen. De jeugdbeschermer moet voortdurend kunnen beoordelen hoe het met [minderjarige 1] gaat en wat de juiste hulp voor hem is om zich verder positief ontwikkelen. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling daarom verlengen voor het resterende deel van het verzoek, te weten tot 15 juni 2027.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en perspectiefbesluit

Wettelijke basis om zich als rechtbank uit te laten over het perspectiefbesluit

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De gecertificeerde instelling heeft de rechtbank verzocht zich in dit verband ook uit te laten over het genomen besluit dat [minderjarige 1] niet bij zijn ouders zal opgroeien. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen zelfstandige rechtsingang is waarin het opvoedbesluit (lees: perspectiefbesluit) als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De rechter mag wel een opvoedbesluit beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opvoedperspectief. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op het verzoek van de gecertificeerde instelling om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlengen samenhangt met het perspectiefbesluit. Het genomen perspectiefbesluit is namelijk van invloed op de uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling zal, als de rechtbank het perspectiefbesluit onderschrijft, namelijk niet langer actief terugwerken aan terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders. De rechtbank zal zich daarom hierna ook over het perspectiefbesluit uitlaten.

Plaatsing en voortzetting huidige plek bij [zorginstelling]

[minderjarige 1] is in november 2024 met spoed uit huis geplaatst nadat er ernstige zorgen waren over seksueel grensoverschrijdend gedrag dat hij en zijn jongere broertje op school vertoonden. Er was op dat moment al sprake van een ondertoezichtstelling en er was intensieve hulpverlening betrokken in de thuissituatie bij de ouders. Sinds maart 2025 verblijft [minderjarige 1] op een groep van [zorginstelling]. Hier krijgt hij intensieve hulp en ondersteuning, middels -bijvoorbeeld- psychomotorische therapie (PMT), gericht op - onder meer - het reguleren van zijn emoties en het herkennen van (sociale en fysieke) grenzen. Ook zal binnenkort gestart worden met behandeling op de groep door een gedragswetenschapper. De rechtbank is van oordeel dat het voor [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de plaatsing bij [zorginstelling] wordt voortgezet en zal daarom de machtiging verlengen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ouders onvoldoende staat om [minderjarige 1] in de thuissituatie de veiligheid, verzorging, ondersteuning en hulp te bieden die hij nodig heeft. De rechtbank zal dit hieronder nader toelichten.

Onvoldoende verbetering in opvoedsituatie bij de ouders

Uit de stukken en de toelichting ter zitting maakt de rechtbank op dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders zoals die aanwezig waren ten tijde van de uithuisplaatsing nog onverminderd aanwezig zijn. De gecertificeerde instelling heeft concreet onderbouwd dat de ouders de zorgen over de thuissituatie onvoldoende herkennen, erkennen en dat zij (zeer) beperkte leerbaarheid tonen. Met name bij de moeder lijkt er sprake van een gebrek aan inzicht en reflectievermogen. Het is de jeugdbeschermer ondanks herhaalde pogingen niet gelukt om met de moeder serieus in gesprek te gaan over de problematiek van [minderjarige 1] en haar eigen rol hierin. Zij lijkt niet in te kunnen of willen zien dat in de thuissituatie bepaald gedrag van [minderjarige 1] naar [minderjarige 2] , maar ook van de moeder naar [minderjarige 1] , (seksueel) grensoverschrijdend is geweest. Verder zijn er zorgen over de psychische kwetsbaarheid van de moeder. Gesprekken met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening stagneren en/of escaleren en afspraken worden niet nagekomen. De moeder is hierin niet te sturen. Het gedrag van de moeder heeft er ook toe geleid dat het contact tussen [minderjarige 1] en zijn ouders tijdelijk heeft stilgelegen omdat de begeleidster zich onveilig voelde. De gecertificeerde instelling heeft uit het verloop van de contacten met de moeder, het waargenomen gedrag en de observaties van derden terecht de conclusie getrokken dat de moeder (te) beperkt leerbaar is. Ook een schriftelijke aanwijzing en stopbrieven hebben geen verandering teweeg kunnen brengen. Anders dan namens de ouders betoogd, is voor die conclusie niet vereist dat deze gestoeld is op een onafhankelijke klinische prognose van de behandelaar.

Hoewel uit de stukken en ook de toelichting ter zitting duidelijk is geworden dat de vader wel goed in contact is met de gecertificeerde instelling en de hulpverlening en hij zich wel zo goed mogelijk aan afspraken probeert te houden, is evenzeer duidelijk geworden dat het ook hem niet lukt om de moeder te begrenzen en te reguleren. Zijn draagkracht lijkt op te zijn. Onbestreden is gebleven dat hij dit ook zelf aan de jeugdbeschermer heeft laten weten. De gecertificeerde instelling heeft daaraan de gevolgtrekking mogen verbinden dat het geen reële optie is om verder te onderzoeken of de vader als zelfstandig opvoeder kan fungeren.

Door het geschetste, en grotendeels onbestreden gebleven feitelijk verloop van het afgelopen jaar is het niet mogelijk gebleken om tot daadwerkelijke veranderingen in de opvoedsituatie bij de ouders te komen. In dit verband is ook van belang dat er in het verleden jarenlang – eerst vanuit het vrijwillig kader – hulpverlening is ingezet in de thuissituatie, die evenwel niet het gewenste effect heeft gehad. Ook in eerdere trajecten gegeven adviezen lijken niet te beklijven en het is ook toen niet gelukt om de adviezen die werden gegeven (voldoende) toe te passen. Dit alles leidt tot de conclusie dat de ouders niet beschikken over de opvoedvaardigheden die nodig zijn voor de opvoeding van [minderjarige 1] . Dit betekent dat als [minderjarige 1] weer (volledig) bij de ouders zal gaan wonen, er nog steeds sprake zal zijn van een voor hem ontoereikende en ook onveilige opvoedsituatie.

Het perspectiefbesluit

De gecertificeerde instelling is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het noodzakelijke vertrouwen, dat de opvoedsituatie bij de ouders zodanig zal veranderen dat zij wél in staat zijn om de volledige opvoeding en verzorging voor [minderjarige 1] te dragen, ontbreekt. De rechtbank laat daarbij zwaar meewegen dat de noodzaak tot inzicht en verandering evident is, maar dat in de afgelopen periode, zoals hierboven is overwogen, niet is gebleken van voldoende leerbaarheid van -met name- de moeder.

De ouders hebben voorts naar voren gebracht dat de gecertificeerde instelling het netwerk van de ouders en de optie van de vader als zelfstandig opvoeder onvoldoende heeft onderzocht. Dat verweer mist feitelijke grondslag. De gecertificeerde instelling heeft dit wel degelijk onderzocht, maar dit onderzoek is gestrand. Ter zitting heeft de jeugdbeschermer in dit verband toegelicht dat de het voor het slagen van een eventuele netwerkplaatsing bij de grootouders van moederszijde noodzakelijk is dat zij weerstand kunnen bieden tegen het gedrag van de moeder, en dat de vader heeft verteld dat de grootouders hiertoe niet in staat zijn. De vader zelf heeft -zoals hiervoor reeds besproken- een beperkte draagkracht en heeft meermaals aangegeven er doorheen te zitten. De gecertificeerde instelling heeft bij de vraag of de vader zelfstandig als opvoeder kan fungeren terecht meegenomen in hoeverre de vader tegemoet kan komen aan de verhoogde opvoedbehoefte van [minderjarige 1] , die veel sturing en nabijheid van de opvoeders vraagt. Desgevraagd heeft de vader ter zitting ook niet kunnen schetsen hoe hij een zelfstandig ouderschap zal kunnen gaan vormgeven. De gecertificeerde instelling heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat voor verder onderzoek naar plaatsing bij de grootouders of de mogelijkheid van een zelfstandige opvoedersrol van de vader geen ruimte meer is.

Daarnaast is de rechtbank – anders dan de ouders – van oordeel dat het feit dat voor [minderjarige 1] de traumabehandeling nog niet is gestart, er niet aan in de weg staat dat zij zich uitlaat over het perspectiefbesluit. De vraag die de rechtbank in dat kader moet beantwoorden is of de thuissituatie van [minderjarige 1] bij de ouders, binnen een aanvaardbare termijn, voldoende veilig is voor hem. Hiervoor is reeds overwogen dat dit niet het geval is. Aan thuisplaatsing van [minderjarige 1] staat niet zozeer zijn problematiek in de weg, maar de belemmeringen en kwetsbaarheden van de ouders. Dit zal niet veranderen door de uitkomst van de traumabehandeling van [minderjarige 1] .

De ouders hebben ook opgeworpen dat uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 juni 2025 volgt dat de screening van Veilig Thuis betreffende de signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag leidend moet zijn voor het te nemen perspectiefbesluit; dat die screening is uitgevoerd en de bevindingen van de gecertificeerde instelling niet bevestigt. Nog los van de inhoud van die screening en de conclusies die hier wel of niet aan verbonden kunnen worden, berust dit standpunt van de ouders op een verkeerde lezing van genoemde beschikking. Daarin is immers overwogen dat de uitkomst van de Veilig Thuis-screening leidend moet zijn voor de (waar mogelijk) stapsgewijze uitbreiding van de omgang tussen de ouders en [minderjarige 1] . Dit verweer wordt reeds hierom gepasseerd.

Dat de begeleide contactmomenten tussen [minderjarige 1] en de ouders op dit moment goed verlopen, leidt ten slotte evenmin tot een andere overweging over het perspectiefbesluit. Dit neemt niet weg dat dit positieve contact wel leidend kan zijn voor de wijze waarop het contact in de toekomst kan gaan plaatsvinden en ook voor de beantwoording van de vraag welke rol de ouders kunnen vervullen in het leven van [minderjarige 1] .

Contact tussen [minderjarige 1] en zijn ouders en met zijn broertje [minderjarige 2]

De rechtbank benadrukt ten slotte dat de gecertificeerde instelling de komende periode actief moet blijven onderzoeken welke rol de ouders kunnen hebben in het leven van [minderjarige 1] . Uit de contactverslagen en hetgeen tijdens de zitting is besproken, volgt onmiskenbaar dat de ouders veel van [minderjarige 1] houden, dat zij hem missen en dat er sprake is van een liefdevolle band. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling het contact tussen [minderjarige 1] en de ouders blijft evalueren en steeds blijft onderzoeken of dit contact op termijn kan worden uitgebreid of anders kan worden vormgegeven dan het nu plaatsvindt. Het belang en de veiligheid van [minderjarige 1] dienen hierbij altijd voorop te staan. Daarnaast moet ook gekeken worden naar het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel is gebleken dat de broertjes nog duidelijk sturing nodig hebben bij het onderlinge contact, hebben zij ook veel baat bij dit contact. De rechtbank vindt het erg belangrijk dat dit contact tussen de broertjes, ook met het oog op hun (identiteits)ontwikkeling, structureel wordt voortgezet. Doordat de kinderen niet bij elkaar wonen en het perspectief ook niet meer bij de ouders ligt is hun onderlinge contact niet meer vanzelfsprekend. Het is daarom des te noodzakelijker dat er een concrete en duidelijke contactregeling tot stand komt.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 15 juni 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 15 juni 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Rochat, mr. J.E. Bierling en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L.G. van Otterlo als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand