Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 24 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het bericht van 6 juli 2026, met bijlage, namens de vrouw onder meer inhoudende
een aanvullend verzoek.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich op 6 juli 2026 in raadkamer en [minderjarige 2] heeft zich op die dag schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 7 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de raad).
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2014.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2021 te [geboorteplaats].
- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw in de echtelijke woning.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De man en de vrouw hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw zoals dat thans luidt strekt ertoe dat:
- de minderjarige kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats] aan het adres [adres], met inbegrip van de inboedel;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij:
de man [minderjarige 3] iedere maandag naar zwemles zal brengen; hij haalt [minderjarige 3] rond 17:30 uur op en brengt haar rond 19:30 uur terug;
de man de kinderen op nader vast te leggen vaste dagen 2 dan wel 3 keer doordeweeks van school zal halen en hen rond 19:30 uur weer naar de vrouw zal brengen;
tot 1 september 2026 zijn de kinderen om de week van zaterdag 09:00 uur tot 18:00 uur bij man, waarbij de man de kinderen zal halen en brengen;
vanaf 1 september 2026 verblijven de kinderen om de week van zaterdag 09:00 uur tot zondag 18:00 uur bij man, waarbij de man de kinderen zal halen en brengen;
de vakanties worden bij helfte verdeeld (in de zomervakantie 2026 verblijven de kinderen drie aaneengesloten weken bij de man);
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 214,- per maand per kind wordt vastgesteld, met ingang van 10 maart 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks te indexeren althans een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de verzochte voorlopige kinderalimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de man zelfstandig en uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
- een voorlopige zorgregeling vast te stellen, waarbij:
de man [minderjarige 3] iedere maandag naar zwemles zal brengen; hij haalt [minderjarige 3] rond 17:30 uur op en brengt haar rond 19:30 uur terug;
de man de kinderen 2 dan wel 3 keer doordeweeks van school zal halen en hen rond 19:30 uur weer naar de vrouw zal brengen, onder de voorwaarde dat hij de dagen ten minste twee dagen van tevoren aan de vrouw zal doorgeven;
tot 1 september 2026 zijn de kinderen om de week van zondag 09:00 uur tot
18:00 uur bij man, waarbij de man de kinderen zal halen en brengen;
vanaf 1 september 2026 verblijven de kinderen om de week van zaterdag 12:00 uur tot zondag 18:00 uur bij man, waarbij de man de kinderen zal halen en brengen.
Beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt de toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man voert hiertegen geen verweer. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet, zal de rechtbank de verzoeken als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij en/of de kinderen toegewezen.
Voorlopige zorgregeling
Beide ouders verzoeken een voorlopige zorgregeling. De ouders zijn het grotendeels met elkaar eens. De ouders verschillen nog van mening over of de doordeweekse dagen al dan niet vaste dagen moeten zijn, de zomervakantie en de begintijd van de weekendregeling.
Doordeweekse dagen
De man verzoekt om de kinderen 2 dan wel 3 keer doordeweeks van school te halen en hen rond 19:30 uur weer naar de vrouw te brengen, onder de voorwaarde dat hij de dagen ten minste twee dagen van tevoren aan de vrouw zal doorgeven. De man stelt dat hij geen vaste dagen kan vastleggen, omdat hij in verband met zijn werk pas op maandag en soms op vrijdag zijn werkrooster ontvangt.
De vrouw verweert zich hiertegen, in die zin dat zij vaste dagen wil vastleggen. Volgens de vrouw is het niet werkbaar om zo kort van tevoren van de man te vernemen of hij voor de kinderen kan zorgen. De vrouw werkt onregelmatig. Zij heeft geen familie in de buurt en slechts twee vriendinnen die de kinderen kunnen opvangen.
De raad geeft aan dat het belangrijk is dat er vaste dagen komen waarop de kinderen bij de man verblijven, zodat het voor iedereen duidelijk is.
Alles afwegende zal de rechtbank binnen het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure ten aanzien van de doordeweekse dagen bepalen dat de man de kinderen ten minste twee keer doordeweeks van school zal halen en hen rond 19:30 uur weer naar de vrouw zal brengen, onder de voorwaarde dat de man de dagen minimaal twee dagen van tevoren aan de vrouw zal doorgeven. Daarbij geeft de rechtbank de ouders nadrukkelijk mee, dat –evenals de raad op zitting heeft aangegeven– de ouders in de bodemprocedure moeten streven naar het vastleggen van vaste doordeweekse dagen, omdat dit voor iedereen het best werkbaar en duidelijk is.
Vakanties
De vrouw verzoekt om de vakanties bij helfte te verdelen en dat de kinderen in de aankomende zomervakantie drie aaneengesloten weken bij de man verblijven. Op de zitting heeft de vrouw nader toegelicht dat zij vanaf 8 augustus 2026, de laatste drie weken, vakantie heeft, zodat de kinderen dan bij haar kunnen zijn en de eerste drie weken bij de man. De man verzet zich hiertegen en hij voert aan dat hij al een vakantie heeft gepland. Hij gaat vanaf 19 juli tot en met 16 augustus naar [land]. Hij rijdt samen met zijn zus en haar drie kinderen. Zijn eigen kinderen passen niet in de auto.
De raad heeft op zitting de ouders meegegeven dat als je uit elkaar gaat je dan beiden voor de helft de verantwoordelijkheid voor de kinderen hebt. Voor zover de kinderen dan niet mee zouden kunnen naar [land] zou de man ervoor kunnen kiezen om met de kinderen in Nederland te verblijven.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe het volgende. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat na het uit elkaar gaan de zorg van de kinderen de verantwoordelijkheid van beide ouders is en dit geldt ook voor de vakanties. Dit klemt temeer nu – zoals in dit geval – de dagelijkse zorg van de kinderen hoofdzakelijk bij de vrouw rust. Bovendien vindt de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij tijdens de vakanties langere tijd met hun vader kunnen doorbrengen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vakanties bij helfte worden verdeeld en dat de aanstaande zomervakantie 2026 de kinderen aaneengesloten de eerste drie weken bij de man zullen zijn en de laatste drie weken bij de vrouw.
Weekendregeling
Omdat de rechtbank een vakantieregeling voor de zomervakantie 2026 heeft bepaald, hoeft nu alleen de regeling vanaf 1 september 2026 te worden beoordeeld.
De man verzoekt een weekendregeling, waarbij de kinderen om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur bij hem verblijven. De vrouw kan zich hierin vinden, behalve dat zij verzoekt om de omgang op zaterdag om 9 uur te laten starten.
Omdat de vrouw het grootste gedeelte van de zorg van de kinderen op zich neemt, ziet de rechtbank aanleiding om de vrouw te volgen in haar verzoek om de weekendregeling op zaterdag 9:00 uur te laten beginnen.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie van € 214,- per maand per kind vast te stellen met ingang van 10 maart 2026. De man verweert zich hiertegen en stelt dat hij slechts draagkracht heeft voor een kinderalimentatie van € 189,- per maand (in totaal), zoals blijkt uit de door hem als productie 5 overgelegde alimentatieberekening. De man is echter bereid om € 200,- per maand, ofwel € 50,- per maand per kind te betalen.
Op de zitting is gebleken dat de vrouw zich grotendeels kan vinden in de door de man overgelegde alimentatieberekening. De rechtbank zal deze dan ook als uitgangspunt nemen.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum vast te stellen. De vrouw verzoekt de voorlopige kinderalimentatie vast te stellen met ingang van 10 maart 2026, omdat op die dag de man de woning heeft verlaten. De man verzet zich hiertegen en verzoekt de voorlopige kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking vast te stellen. De man stelt dat hij tot nu toe € 300,- per maand aan de vrouw heeft betaald, wat de vrouw niet heeft betwist.
Gelet hierop zal de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, mede omdat dit in voorlopige voorzieningenprocedures gebruikelijk is.
Behoefte van de kinderen
Uit de door beide ouders overgelegde berekeningen volgt dat zij het eens zijn over de behoefte van de kinderen. Gelet hierop bedraagt de behoefte van de kinderen € 384,- per maand per kind, ofwel € 1.536,- per maand voor vier kinderen.
Draagkracht van de ouders
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit doet de rechtbank aan de hand van ieders Netto Besteedbare Inkomen (NBI) in 2026.
Vervolgens dient het bedrag aan draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen in 2026 berekend te worden aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1365)]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van € 2.200,- zijn vaste bedragen van toepassing.
NBI en draagkracht man
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht voor de man – evenals partijen – uitgaan van een bruto maandloon van € 2.871,35 vermeerderd met 8% vakantietoeslag en verminderd met de ingehouden pensioenpremies van afgerond € 145,-, € 3,- en € 35,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man als productie 4 overgelegde salarisspecificaties over 2026.
Uitgaande van deze gegevens en van de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale kortingen van de man berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man voor kinderalimentatie op € 2.563,- per maand (tarief 2026-2) en zijn draagkracht voor kinderalimentatie op € 300,- per maand in 2026.
NBI en draagkracht vrouw
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een bruto maandloon van € 1.784,12 vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering van afgerond € 172,- per maand, verminderd met de ingehouden pensioenpremie van afgerond € 168,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de vrouw als productie 2 overgelegde salarisspecificatie over 2026.
Uitgaande van deze gegevens en van de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale kortingen en heffingen van de vrouw, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vrouw voor kinderalimentatie op € 3.075,- per maand (tarief 2026-2) en haar draagkracht voor kinderalimentatie op € 552,- per maand in 2026.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 852,- per maand (€ 300,- + € 552,-).
Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van
€ 684,- per maand (€ 1.536 -/- € 852). Beide ouders dienen maximaal bij te dragen in de behoefte van de kinderen.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast omdat er geen aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de ouders duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag. Zo blijkt uit de overgelegde huurovereenkomst dat de man sinds 23 juni 2026 een eigen woning huurt en dat de netto huur € 932,93 per maand bedraagt. Dit is zelfs hoger dan het woonbudget.
Zorgkorting
De ouders zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 15%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 58,- per maand per kind (15% van € 384), ofwel
€ 232,- per maand voor alle kinderen. Omdat er sprake is van een tekort (€ 684 /per ouder
€ 342) en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting (€ 232), vervalt de zorgkorting voor de man. Beide ouders zullen maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking een voorlopige kinderalimentatie voor alle vier de kinderen van € 300,- per maand ofwel € 75,- per maand per kind moet betalen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], [plaats];
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2021 te [geboorteplaats];
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
stelt de volgende voorlopige zorgregeling vast, waarbij:
- de man [minderjarige 3] iedere maandag naar zwemles zal brengen; hij haalt [minderjarige 3]
rond 17:30 uur op en brengt haar rond 19:30 uur terug;
- de man zal de kinderen ten minste twee keer doordeweeks van school halen en hen
rond 19:30 uur weer naar de vrouw brengen, onder de voorwaarde dat de man de
dagen minimaal twee dagen van tevoren aan de vrouw zal doorgeven;
- vanaf 1 september 2026 verblijven de kinderen om de week van zaterdag 12:00
uur tot zondag 18:00 uur bij man, waarbij de man de kinderen zal halen en
brengen;
- de vakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij voor de zomervakantie van 2026 zal gelden dat de kinderen aaneengesloten de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw zullen verblijven;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de hiervoor genoemde minderjarigen(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 300,- per maand, ofwel € 75,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.