Kinderalimentatie
Beschikking op het op 17 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.K. de Menthon Bake te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 16 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw op 29 juni 2026 ingediende stukken en de daarbij behorende toelichting. Tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 heeft de rechtbank beide partijen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de zitting de IB-aangifte (en indien aanwezig ook de IB-aanslag) over 2019 te overleggen om inzicht te krijgen in het inkomen van partijen in dat jaar. Gelet hierop zal de rechtbank alleen de door de vrouw overgelegde voorlopige IB-aanslag 2019 en de verklaring geregistreerd inkomen 2019 tot de processtukken toelaten en de overige producties en de toelichting in het F9-formulier van 29 juni 2026 buiten beschouwing laten wegens strijd met de goede procesorde.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
- In het ouderschapsplan van 14 februari 2020 zijn partijen – voor zover hier van
belang – het volgende overeengekomen:
- Partijen zijn vanaf 3 januari 2022 een co-ouderschapsregeling met een week-om-week-regeling overeengekomen, waarbij de overdracht plaatsvindt op zondag 18.30 uur.
- De kosten van [minderjarige] zijn door de ouders in onderling overleg begroot op € 200,- per maand voor de kinderopvang en de ouders zullen ieder 50% daarin bijdragen. Beide ouders hebben afgesproken ieder € 100,- per maand op de rekening van de vrouw te voldoen.
- Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van [minderjarige] wanneer hij bij hen is.
Verblijfsoverstijgende lasten worden betaald van een rekening die gezamenlijk
aangehouden wordt (Triodos). Van deze en/of-rekening heeft iedere ouder een
pinpas. Van deze rekening worden niet voldaan uitgaven ten behoeve van [minderjarige]
zoals:
o eten en drinken thuis;
o vakantie;
o verzekeringen;
De ouders zijn elkaar rekening en verantwoording verschuldigd van hun opnames en zijn bij opheffing van deze rekening ieder voor de helft/naar rato van hun bijdragen gerechtigd tot het saldo.
- De Triodos rekening staat op naam van de man met een machtiging voor de vrouw. Deze rekening zal enkel worden gebruikt voor [minderjarige], dat wil zeggen eventuele uitgaven die gedaan moeten worden voor [minderjarige] (bijvoorbeeld kleding, vakantie, speelgoed, uitjes en andere activiteiten e.d.).
- T.z.t. zal er een rekening geopend worden op naam van [minderjarige] zelf. Ieder van de ouders zal er op toezien dat het saldo van de bankrekeningen ten goede komt aan alleen [minderjarige] op wiens naam de betreffende rekening is gesteld.
- Het saldo van de bankrekeningen ten name van de kinderen zal alleen worden aangewend, zolang de kinderen minderjarig zijn, met toestemming van beide ouders.
- Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van een van de ouders enig saldo van een bankrekening ten name van (een van de) kinderen aan te wenden voor eigen gebruik. Indien dit wel geschiedt, dan is degene die deze opname verricht, verplicht op het eerste verzoek van de andere ouder het opgenomen bedrag terstond aan het desbetreffende kind te vergoeden.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft verzocht:
- het tussen partijen geldende ouderschapsplan te wijzigen in dier voege dat wordt bepaald dat de man met ingang van 1 april 2025 aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 667,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige], dan wel enig ander bedrag of met ingang van enig andere datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man (voorwaardelijk) zelfstandig verzocht:
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De vrouw heeft verzocht – bij toewijzing van het verzoek van de man – de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 vast te stellen naar rato van de inkomens van beide partijen, vermeerderd met de wettelijke index vanaf die datum, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid en opheffing kindrekening
Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De vrouw heeft als wijziging van omstandigheden naar voren gebracht dat partijen in het ouderschapsplan van 14 februari 2020 een kindrekening zijn overeengekomen om daarvan de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] te voldoen. De vrouw heeft aangevoerd dat niet nader is ingevuld wat onder verblijfsoverstijgende kosten wordt verstaan, wat leidt tot veel discussie tussen partijen. Daarbij is de inkomenspositie van beide partijen in de afgelopen jaren veranderd. De vrouw wil daarom dat een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] wordt vastgesteld. De man heeft betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is tot een wijziging van de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken over de wijze waarop in de kosten van de [minderjarige] wordt voorzien. De gemaakte afspraken over het gebruik van de kindrekening zijn in de afgelopen jaren een bron van discussie geweest tussen partijen. Gebleken is dat partijen van meet af aan de regeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan niet hebben nageleefd en onderling afwijkende afspraken hebben gemaakt die niet schriftelijk zijn vastgelegd. Partijen verschillen van mening over de inhoud van die afspraken. Dit vormt een een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Door veranderingen in de financiële situatie van beide partijen voldoet de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak over de wijze waarop in de kosten van [minderjarige] wordt voorzien bovendien niet meer aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank acht het gelet op het voorafgaande niet langer in het belang van [minderjarige] dat partijen gebruik blijven maken van een kindrekening. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de kindrekening zullen opheffen. De rechtbank zal conform de daarvoor gebruikelijke normen en uitgangspunten kinderalimentatie vaststellen. Beide partijen hebben verzocht een door de andere partij te betalen kinderalimentatie vast te stellen. Nu [minderjarige] bij de vrouw staat ingeschreven gaat de rechtbank ervan uit dat de financiering van de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] voortaan volledig voor rekening van de vrouw zal komen. De rechtbank zal daarom een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vaststellen.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank als uitgangspunt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport). De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 april 2025 moet worden vastgesteld. Beide partijen hebben jarenlang een situatie laten voortbestaan waarbij onduidelijk is wat de afspraken inhielden ten aanzien van de financiering van de kosten voor [minderjarige]. Gebleken is dat de man in ieder geval een deel van de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] in 2025 en 2026 heeft voldaan. De vrouw heeft aangevoerd dat zij ook verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige] voor haar rekening heeft genomen. Zij heeft echter ook de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking, 14 juli 2026.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald. Gebleken is dat partijen eind 2019 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft aangevoerd dat 2019 geen representatief jaar was wat betreft de inkomenssituatie van partijen. Zij heeft aangegeven dat de man in de jaren voor 2019 een hoger inkomen had dan in 2019. De vrouw heeft gesteld dat de man in 2019 heeft besloten een zij-instromersopleiding tot docent te gaan volgen, hij daarom minder heeft gewerkt en zijn inkomen in 2019 aanzienlijk lager was. Op de zitting heeft de man dit betwist en gesteld dat hij al in 2017 is begonnen met de zij-instromersopleiding. Gelet op de betwisting door de man zal de rechtbank conform het uitgangspunt bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2019-II.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 40.474,- en een WW-uitkering van € 5.106,- bruto per jaar in 2019, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgaves en IB-aangifte over 2019.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.726,- per maand in 2019. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 31.507,- bruto per jaar in 2019, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde verklaring geregistreerd inkomen over 2019.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.328,- per maand in 2019. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2019 dus € 5.054,- per maand (€ 2.726,- + € 2.328,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen geen recht op kindgebonden budget.
De rechtbank overweegt dat onder 3.2.8 van het rapport de volgende aanbeveling staat opgenomen:
“Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders
Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van dat hogere inkomen van die ouder.”
Zoals hierna zal worden overwogen, is het NBGI van de ouders in 2019 lager dan het huidige NBI van de man. Daarom zal de rechtbank conform het rapport de behoefte van [minderjarige] op basis van alleen het huidige inkomen van de man vaststellen.
Voor het NBI van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 7.313,- bruto per maand, 8% vakantiegeld, een eindejaarsuitkering van € 609,- bruto per maand en een oktobertoelage van € 1.640,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van februari tot en met mei 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 573,- bruto per maand en de arbeidsongeschiktheidspremies van € 22,- bruto per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.101,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De rechtbank zal met de door de vrouw aangevoerde extra kinderopvangkosten van € 58,- netto per maand geen rekening houden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de opvangkosten van de vrouw beperkt in omvang zijn. Deze kosten zijn niet zo hoog dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.
Op basis van het NBI van de man hadden partijen geen recht op kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2026 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 693,- per maand voor [minderjarige].
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden betaald naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 7.313,- bruto per maand, 8% vakantiegeld, een eindejaarsuitkering van € 609,- bruto per maand en een oktobertoelage van € 1.640,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van februari tot en met mei 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 573,- bruto per maand en de arbeidsongeschiktheidspremies van € 22,- bruto per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.101,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.544,- per maand
(70% x [5.101 - (0,3 x 5.101 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft aangevoerd dat met haar onbetaald opgenomen ouderschapsverlof rekening gehouden moet worden bij de draagkrachtberekening. De rechtbank acht het niet redelijk om hier rekening mee te houden, omdat tussen partijen een co-ouderschapsregeling geldt en de man ook geen ouderschapsverlof opneemt. De rechtbank zal daarom rekenen met het volledige salaris van de vrouw. Voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank dus uitgaan van een inkomen van € 5.033,- bruto per maand en IKB van € 763,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van maart, april en mei 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 310,- bruto per maand en de arbeidsongeschiktheidspremies van € 9,- bruto per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 3.261,-.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.435,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.218,- per maand
(70% x [4.435 - (0,3 x 4.435 + 1.365)]).
Draagkrachtvergelijking en zorgkorting
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.762,- per maand (€ 1.544,- + € 1.218,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 1.544,- / € 2.762,- x € 693,- = € 387,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.218,- / € 2.762,- x € 693,- = € 306,-
samen € 693,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 387,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 306,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Nu sprake is van een co-ouderschapsregeling, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 243,- per maand (35% van € 693,-).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 144,- per maand (€ 387,- -/- € 243,-).
Conclusie
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 144,- per maand voor [minderjarige] aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Verzoeken van de man ten aanzien van de kindrekening
De man heeft ten aanzien van de kindrekening verzocht:
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat partijen de kindrekening zullen opheffen. Daarom zal de rechtbank de verzoeken van de man afwijzen.
Verzoeken van de man met betrekking tot terugbetalingen door de vrouw
De man heeft verzocht:
De vrouw heeft deze verzoeken weersproken en gesteld dat de man jegens haar haar niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Partijen hebben in de afgelopen jaren verschillende afspraken gemaakt over de kindrekeningen en de bedragen die partijen daarop moesten betalen en daarvan af mochten halen. Ook hebben zij buiten de kindrekeningen om betalingen ten behoeve van [minderjarige] gedaan. De rechtbank kan van hetgeen over en weer is gesteld geen chocola maken en zal daarom de vorderingen van de man afwijzen.
Beslissing
De rechtbank – in zoverre met wijziging van het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan van 14 februari 2020 –:
bepaalt de door de man met ingang van heden te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], op € 144,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.