Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 28 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.W. van Osch te Schiedam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Gruiters te Nieuwegein.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 30 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van zowel de zijde van de man als van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1].
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats],
- [minderjarige 2], geboren [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 850,- per maand voor [minderjarige 1] en € 638,- per maand voor [minderjarige 2] wordt vastgesteld, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en te vermeerderen met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2027, althans subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 8.010,- bruto per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en te vermeerderen met de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2027, althans subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat:
- de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2], [adres], met het bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden behoudens voorafgaande toestemming van de man;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen van partijen wordt vastgesteld, waarbij de kinderen iedere week verblijven bij de man van vrijdag uit school dan wel vrijdagavond tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen partijen nader te verdelen, en voorts gedurende studiedagen, althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank in het belang van de kinderen en met het oog op een werkbare uitvoering van de zorgregeling passend acht.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te kennen. De vrouw heeft met dit verzoek ingestemd, zodat dit zal worden toegewezen.
Voorlopige zorgregeling
Reguliere zorgregeling
Partijen zijn het eens over de voorlopige reguliere zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2], inhoudende dat [minderjarige 2] iedere week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man zal verblijven. De rechtbank zal de voorlopige reguliere zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] conform de overeenstemming van partijen in het dictum vastleggen.
Op dit moment is er geen contact tussen [minderjarige 1] en de man. Beide partijen verwachten echter dat het contact tussen [minderjarige 1] en de man op (korte) termijn zal worden hersteld. Omdat zowel partijen als de Raad op de zitting geen zorgen hebben geuit over de situatie tussen [minderjarige 1] en de man, acht de rechtbank het redelijk om in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure aan te sluiten bij de huidige feitelijke situatie. De rechtbank zal daarom ten aanzien van [minderjarige 1] geen voorlopige reguliere zorgregeling vaststellen.
Vakanties en studiedagen
Partijen hebben op de zitting aangegeven dat zij de vakanties en studiedagen in onderling overleg zullen verdelen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Bij de berekening en vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's. De rechtbank zal de gemaakte alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
Ingangsdatum
Partijen zijn het eens over de ingangsdatum, te weten de datum van deze beschikking. De rechtbank zal daarom 14 juli 2026 als ingangsdatum hanteren.
Behoefte
Partijen zijn het nagenoeg eens over de behoefte van de kinderen. Uit de stukken blijkt immers dat beide partijen uitgaan van een behoefte van de kinderen van € 1.700,- per maand. Tussen partijen is echter in geschil welk refertejaar moet worden gehanteerd.
De rechtbank overweegt dat bij de berekening van de behoefte van de kinderen als uitgangspunt geldt dat uitgegaan moet worden van het moment van uiteengaan van partijen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw de echtelijke woning in april 2025 heeft verlaten. Om deze reden zal de rechtbank rekenen met de tarieven 2025-I en stelt zij de behoefte van de kinderen vast op € 1.700,- per maand in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.778,- per maand, te weten € 889,- per kind per maand.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.
- draagkracht man
Zoals eerder overwogen, zal de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure uitgaan van de actuele situatie van partijen. Om deze reden zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een bruto maandinkomen van € 12.894,- per maand, zoals blijkt uit zijn loonstroken van maart tot en met april 2026. Verder zal de rechtbank rekening houden met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van € 1.074,48 per maand. Het is in deze voorlopige voorzieningenprocedure niet aannemelijk geworden dat de man structureel meer inkomen verkrijgt dan zijn loon uit dienstbetrekking, zoals door de vrouw gesteld.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 8.414,- per maand.
De man voert een draagkrachtverweer en verzoekt bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met een aflossing op een schuld bij de vader van de man en het Warmtefonds van in totaal € 508,- per maand. De vrouw heeft hiertegen geen, althans onvoldoende, verweer gevoerd. Om deze reden zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een aflossing van € 508,- per maand.
Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 2.812,- per maand.
- draagkracht vrouw
Zoals eerder overwogen, zal de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure uitgaan van de actuele situatie van partijen. Om deze reden zal de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een bruto maandinkomen van € 1.709,76, zoals blijkt uit haar loonstroken van januari tot en met maart 2026. Verder zal de rechtbank rekening houden met 8% vakantietoeslag, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Anders dan de vrouw, gaat de rechtbank er bij haar berekening van uit dat de vrouw recht heeft op kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop. De vrouw staat immers op een ander adres dan de man ingeschreven en er is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank. Partijen zijn daarmee geen toeslagpartners meer. Het ligt dan ook op de weg van de vrouw om opnieuw een verzoek ten behoeve van kindgebonden budget bij de Belastingdienst in te dienen.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.628,- per maand.
Tussen partijen is in geschil of aan de zijde van de vrouw moet worden afgeweken van het gebruikelijke woonbudget. De vrouw huurt immers een appartement voor circa € 2.500,- per maand. Het woonbudget is volgens de vrouw daarom niet toereikend, zodat gerekend moet worden met haar werkelijke woonlasten.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te wijken van het woonbudget van 30% van het NBI en rekening te houden met de gestelde werkelijke woonlasten van de vrouw. Het woonbudget bedraagt € 788,- per maand, terwijl de huur van de vrouw per maand al meer is. Op de zitting is bovendien gebleken dat partijen er samen voor hebben gekozen dat de vrouw – in het belang van de kinderen – een appartement dicht bij de echtelijke woning zou huren, wat heeft geleid tot hoge huurkosten voor de vrouw. Dat zij voor een lager bedrag in de buurt van de echtelijke woning kan huren, is in deze procedure niet aannemelijk geworden. Om deze reden acht de rechtbank het redelijk om te rekenen met de werkelijke woonlasten van de vrouw. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van een bedrag van € 2.400,- per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde huurverklaring (productie 4).
Het bovenstaande brengt met zich mee dat de vrouw geen draagkracht heeft.
Draagkrachtvergelijking
De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 2.812,- per maand en overstijgt de behoefte van de kinderen van € 1.778,- per maand. Omdat de vrouw geen draagkracht heeft, dient de man in de volledige kosten van de kinderen te voorzien.
Zorgkorting
Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van [minderjarige 2] uitgegaan moet worden van een zorgkorting van 25%, te weten € 222,- per maand. Partijen zijn het echter niet eens over de zorgkorting ten aanzien van [minderjarige 1]. Volgens de vrouw moet geen rekening gehouden worden met een zorgkorting ten aanzien van [minderjarige 1], nu [minderjarige 1] en de man op dit moment geen contact hebben. De man stelt daarentegen dat alvast uitgegaan moet worden van de situatie waarin [minderjarige 1], net zoals [minderjarige 2], iedere week in het weekend bij hem zal verblijven. Om deze reden dient volgens de man te worden gerekend met een zorgkorting van 25%.
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Op dit moment is er geen omgang tussen [minderjarige 1] en de man. Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank daarom een forfaitaire zorgkorting van 5% hanteren, omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. De zorgkorting bedraagt 5% van de behoefte, te weten €44,- per maand.
Conclusie
Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage ten aanzien van [minderjarige 1] € 845,- per maand. Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de rechtbank dat de vrouw een kinderalimentatie verzoekt vast te stellen van € 638,- per maand. De rechtbank concludeert dat dit een lager bedrag is dan uit de berekening volgt maar zij kan niet meer toewijzen dan verzocht. Zij zal daarom het verzoek van de vrouw ten aanzien van [minderjarige 2] toewijzen en bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie moet betalen van € 638,- per maand. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de voorlopige kinderalimentatie wijst de rechtbank af.
Voorlopige partneralimentatie
Bij de vaststelling en berekening van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De rechtbank zal de gemaakte alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten.
Ingangsdatum
Partijen zijn het eens over de ingangsdatum, te weten de datum van deze beschikking. De rechtbank zal daarom 14 juli 2026 als ingangsdatum hanteren.
Behoefte vrouw
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
Voor het bepalen van de behoefte moet gekeken worden naar de laatste periode waarin partijen samen hebben geleefd als gezin. Zoals eerder besproken, is tussen partijen niet in geschil dat de vrouw in april 2025 de echtelijke woning heeft verlaten. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de vrouw gedurende het huwelijk geen (betaalde) arbeid verrichte. Om deze reden zal de behoefte worden vastgesteld aan de hand van het NBI van de man.
Voor de berekening van het NBI van de man acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een bruto jaarinkomen van € 204.000,-, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave 2024. De rechtbank berekent op basis hiervan het NBI van de man tijdens het huwelijk op € 9.408,- per maand.
Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de vrouw, bedraagt ook het NBGI van partijen € 9.408,- per maand. Hierop moeten de kosten van de kinderen van € 1.778,- per maand in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 7.630,- per maand beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2025 bedraagt dan volgens de hofnorm (60% van 7.630 =) € 4.578,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dit € 4.789,- per maand.
De rechtbank zal bij de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man van dezelfde gegevens uitgaan als bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 4.789,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen in mindering worden gebracht. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 2.997,- netto per maand. Dat is € 5.749,- per maand.
Draagkracht
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij bij de berekening van de partneralimentatie – net zoals bij de berekening van de kinderalimentatie – rekening zal houden met een aflossing van € 508,- per maand.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 632,- per maand, te weten 60% x [8.414 – (0,3 x 8.414 + 1.365 + 508)]. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.778,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 632,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.012,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan voorlopige partneralimentatie aan de vrouw te betalen dan zijn draagkracht toelaat, zodat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag op te leggen aan partneralimentatie.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een voorlopige partneralimentatie moet betalen van € 1.012,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de voorlopige partneralimentatie wijst de rechtbank af.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2], [adres] en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2], geboren [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats], voorlopig bij de man zal zijn iedere week van vrijdagmiddag tot zondagavond;
*
bepaalt dat er tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1], geboren [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats], geen voorlopige zorgregeling zal gelden;
*
bepaalt ten aanzien van de vakanties en studiedagen dat partijen deze in onderling overleg zullen verdelen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 845,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 2] van € 638,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2027;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 1.012,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en voor het eerst te indexeren per 1 januari 2027;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.