RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/696229 / JE RK 25-2137
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Uitspraak van de kinderrechter
Niets meer te beslissen over een aangehouden verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 27 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 28 juli 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 27 januari 2026;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met als bijlage het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), als bedoeld in artikel 1:265j, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, ontvangen op 9 juli 2026.
2. De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 27 januari 2026.
3. De beoordeling
Blijkens het bericht van de gecertificeerde instelling handhaaft de gecertificeerde instelling het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de resterende zes maanden niet. De gecertificeerde instelling ziet dat het hoogst haalbare binnen dit gezin is bereikt en dat er niet langer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De kinderrechter heeft daarnaast de toetsing van de Raad ontvangen, waarin de Raad aangeeft dat volgens hen een verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk is. Er is vertrouwen dat de ouders, met behulp van hun netwerk, voldoende in staat zijn de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. De ouders hebben op eigen kracht de zorgen weten af te wenden. Een gedwongen kader heeft geen meerwaarde meer vanwege het ontbreken van motivatie bij de ouders om (verdere) hulpverlening aan te gaan. De Raad kan daarom instemmen met het voorgenomen besluit van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te beëindigen. Gelet op het voorgaande constateert de kinderrechter dat zij in de onderhavige zaak geen beslissing meer hoeft te nemen.
4. De beslissing
De kinderrechter:
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.