RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/696646 / JE RK 25-2183
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. C. Arslaner uit Den Haag.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 6 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor korte duur verlengd tot 23 januari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
Vervolgens is bij beschikking van 22 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 23 juli 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikkingen van 6 en 22 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 8 juli 2026.
Op 23 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam], namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. [minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming van [minderjarige], samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 6 januari 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van haar oorspronkelijke verzoek, om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Er is een patroon zichtbaar bij [minderjarige] waarbij zij grensoverschrijdend, zelfbepalend en opstandig gedrag blijft vertonen. In maart 2026 heeft dit gedrag bij [zorginstelling] ernstige vormen aangenomen. Zo heeft [minderjarige] de rookmelders en camera’s binnen de woonvoorziening gemanipuleerd. Er waren daarnaast zorgen over de sociale contacten, het middelengebruik, het schoolverzuim en het wegloopgedrag van [minderjarige]. Gesprekken hebben er niet toe geleid dat [minderjarige] ander gedrag is gaan vertonen. Gezien de ernst van de incidenten en het uitblijven van een gedragsverandering bij [minderjarige] is besloten dat zij daar niet meer mag blijven wonen. De gecertificeerde instelling is daarom op zoek gegaan naar een vervolgplek. Mogelijk kan [minderjarige] vanaf september 2026 terecht bij een passend gezinshuis, dat goed aansluit bij [minderjarige] vanwege de trauma-sensitieve aanpak die daar wordt gehanteerd. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder. De moeder kampt al meerdere jaren met alcoholproblematiek, waarvoor zij intensieve behandeling heeft gehad bij [zorginstantie]. Vanwege de verslechterde gezondheid van de moeder is deze behandeling in maart 2026 beëindigd. De afgelopen periode is opnieuw bevestigd dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige].
4. De standpunten
De advocaat heeft namens de moeder naar voren gebracht dat de moeder de door de jeugdbeschermer geschetste zorgen herkent en zich daar ook veel zorgen om maakt. De moeder wil dat er traumabehandeling en hulpverlening wordt ingezet voor [minderjarige]. De moeder wordt in haar dagelijkse functioneren geconfronteerd met haar trauma’s en gezondheidsproblemen, maar probeert er alles aan te doen wat goed is voor [minderjarige].
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
[minderjarige] vertoont de afgelopen jaren op structurele basis en in toenemende mate gedragsproblematiek. Hier lijkt trauma- en hechtingsproblematiek aan ten grondslag te liggen. Hiervoor is tot op heden nog geen hulpverlening ingezet vanwege de aanhoudende instabiliteit in het leven van [minderjarige]. [minderjarige] heeft de afgelopen jaren op veel verschillende plekken gewoond. Zij verblijft sinds begin januari 2026 bij [zorginstelling]. Deze plek blijkt onvoldoende de begrenzing en sturing te bieden die [minderjarige] vanwege haar verhoogde zorgbehoefte hard nodig heeft. De kinderrechter maakt zich nog steeds veel zorgen over [minderjarige], die ook bij [zorginstelling] de grenzen is blijven opzoeken. Er hebben de afgelopen maanden meerdere incidenten plaatsgevonden op de groep, die ertoe hebben geleid dat [minderjarige] daar niet langer mag verblijven. Zodra er een nieuwe geschikte vervolgplek gevonden is zal [minderjarige] opnieuw overgeplaatst moeten worden. De kinderrechter vindt het erg verdrietig voor [minderjarige] dat zij dan weer moet verhuizen en moet wennen aan een nieuwe plek. Het is daarom belangrijk dat deze nieuwe plek geschikt is voor [minderjarige] en waar haar de juiste begeleiding en begrenzing wordt gegeven. Daarnaast moet dit ook een plek zijn waar [minderjarige] langere tijd kan blijven wonen, zodat zij later niet opnieuw moet verhuizen. Een terugkeer naar de moeder is geen optie. De onderlinge interactiepatronen en relatie tussen [minderjarige] en de moeder is dusdanig beschadigd geraakt, dat terugkeer naar de moeder niet mogelijk is. Daarnaast is de moeder onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige]. Uit observaties van VUHP en ook vanuit het vierjarige behandeltraject van [zorginstantie] is gebleken dat de moeder nog erg in beslag wordt genomen door haar eigen problematiek en traumatische ervaringen, wat een belemmering voor haar vormt om zich goed in te leven in de behoeften van [minderjarige]. Nu [minderjarige] niet thuis kan wonen is het noodzakelijk om het verblijf van [minderjarige] op de groep met een machtiging te formaliseren. De kinderrechter hoopt dat er snel een passende plek voor [minderjarige] wordt gevonden en dat er een coach aan haar gekoppeld wordt die met haar mee kan denken en kan helpen bij het nemen van de juiste beslissingen. Zoals tijdens de zitting benadrukt is het ook belangrijk dat er nagedacht wordt over eventuele behandeling die ingezet kan gaan worden op het moment dat er meer rust en stabiliteit is gecreëerd voor [minderjarige].
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verder toewijzen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 november 2026.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.