RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers:
I. C/09/695023 / JE RK 25-2007
II. C/09/706819 / JE RK 26-1024
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Aangehouden verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling
II. Verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.J. Berghout uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het (verdere) verloop van de procedure
Bij beschikking van 15 januari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd van 17 januari 2026 tot 17 juli 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden. Het zaaknummer betreft C/09/695023 / JE RK 25-2007 (verzoek I).
Bij beschikking van 12 mei 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 17 juli 2026.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de voornoemde beschikking van 15 januari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 juni 2026 (zaaknummer C/09/706819 / JE RK 26-1024 (verzoek II));
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 8 juli 2026.
Op 14 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet, met gelijktijdige behandeling van het verzoek II. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. [de minderjarige] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming van [de minderjarige] , samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 15 januari 2026.
3. De verzoeken
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van haar oorspronkelijke verzoek, om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden (verzoek I). Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van zes maanden (verzoek II). De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling motiveert de verzoeken als volgt. De hulpverlening die de afgelopen paar maanden extra is ingezet bleek onvoldoende toereikend om een gedragsverandering bij [de minderjarige] teweeg te brengen en de draagkracht van de moeder te vergroten. Vanwege agressie-incidenten lukte het de moeder niet meer om de veiligheid van zichzelf en van [de minderjarige] thuis te waarborgen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [de minderjarige] met een machtiging op 12 mei 2026 uit huis is geplaatst in een gezinshuis. [de minderjarige] is vervolgens overgeplaatst naar het gezinshuis Corridor. Hier wordt geobserveerd dat [de minderjarige] steeds meer in een overlevingsstand lijkt te verkeren, graag terug naar huis wil en sterk de behoefte heeft aan duidelijkheid. Daarnaast wordt gezien dat [de minderjarige] zich veel bezig houdt met volwassenzaken, vooral aandacht heeft voor wat er om haar heen gebeurt, controledrang heeft, onrustig slaapt en stiekem gedrag vertoont. Op school stagneert [de minderjarige] in haar ontwikkeling. De moeder is de afgelopen periode actief op zoek gegaan naar alternatieve hulpverlening, nu de GGZ Rivierduinen heeft aangegeven op dit moment geen behandeling aan de moeder te kunnen bieden. De moeder loopt echter tegen lange wachtlijsten aan en dit vormt een belemmering voor haar om een nieuwe instantie te vinden die haar kan helpen bij haar persoonlijke problematiek. De moeder ontvangt nu ter overbrugging praktische ondersteuning vanuit het Leontienhuis. De gecertificeerde instelling is zich er van bewust dat de terugkeer van [de minderjarige] naar huis niet volledig afhankelijk moet zijn van het opstarten en de voortgang van het ggz-traject van de moeder. Wel is nodig dat [de minderjarige] en de moeder eerst allebei stabiliseren, zodat er voldoende draagvlak ontstaat om te kunnen werken aan het doorbreken van de onderlinge schadelijke interactiepatronen en aan het herstellen van een gezonde ouder-kindrelatie. Impegno kan, zodra de ouders het behandelplan hebben ondertekend, starten met diagnostiek en behandeling om de ondersteuningsbehoefte van [de minderjarige] verder in kaart te kunnen brengen.
4. De standpunten
De moeder vraagt zich af wat voor meerwaarde een ondertoezichtstelling nog heeft, nu dit traject al langer dan zes jaar loopt. De moeder doet al jarenlang noodkreten richting de hulpverlening om de juiste hulpverlening voor [de minderjarige] in te zetten en werkt overal aan mee. Passende hulpverlening is echter al die tijd uitgebleven. De situatie is uiteindelijk dusdanig verslechterd thuis dat [de minderjarige] onterecht uit huis is geplaatst. Het gedrag dat [de minderjarige] bij de moeder thuis liet zien, wordt nu ook in het gezinshuis opgemerkt. De moeder wil niks liever dan dat er professionele hulp voor [de minderjarige] wordt ingezet, bijvoorbeeld gericht op haar emotieregulatie. De moeder probeert al langer hulp voor zichzelf te zoeken. De moeder was gestart met een behandeling bij GGZ Rivierduinen, maar deze behandeling is abrupt stopgezet. Dit heeft tot gevolg gehad dat de moeder een groter trauma heeft opgelopen. De moeder probeert zich nu bij andere instanties aan te melden, maar wordt hierin tegengewerkt door de lange wachtlijsten. De moeder vindt niet dat haar eigen behandeltraject in de weg moet staan aan een terugplaatsing van [de minderjarige] naar huis. Tegelijkertijd weet de moeder niet wat voor andere oplossing er is om de zorgen af te wenden. De moeder wil in ieder geval dat er gewerkt wordt aan contactherstel tussen haar en [de minderjarige] en dat zij vaker contact met haar heeft.
De vader staat achter de verzoeken. In de ideale situatie wil de vader dat [de minderjarige] weer zo snel mogelijk teruggaat naar huis. Het maakt de vader daarbij niet uit of [de minderjarige] terugkeert naar de moeder of naar de vader. De vader wil daarnaast dat de onderliggende problematiek bij [de minderjarige] door middel van hulpverlening wordt aangepakt en dat er verder wordt gewerkt aan het contactherstel met de vader.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat er een langere periode sprake is geweest van een onrustige en instabiele thuissituatie en [de minderjarige] in toenemende mate gedragsproblematiek begon te vertonen. Ondanks de jarenlange hulpverlening die al betrokken is, is het tot nu toe nog niet gelukt om een gedragsverandering bij [de minderjarige] teweeg te brengen en te werken aan de onderlinge interactie tussen [de minderjarige] en de moeder. De moeder kampt zelf met persoonlijke problematiek, waardoor zij onvoldoende opgewassen was tegen het gedrag dat [de minderjarige] vertoonde en haar hierin niet op een passende manier kon begrenzen. Het is een zorgelijke, maar bovenal zeer verdrietige situatie dat de ingezette hulp, waar de moeder zich al jarenlang voor hard maakt, geen verandering heeft weten aan te brengen in de huidige situatie. Dit maakt echter dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] niet of onvoldoende kan worden weggenomen binnen het vrijwillig kader. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De jeugdbeschermer zal regie moeten blijven voeren over de ingezette en de nog in te zetten hulpverlening, voor zowel [de minderjarige] als de moeder, en van belang is dat hier ook in doorgepakt wordt. Impegno zal snel opgestart moeten worden zodat de problematiek van [de minderjarige] in kaart kan worden gebracht en hier passende hulp voor ingezet kan worden. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de resterende aangehouden duur van zes maanden verder toewijzen.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De thuissituatie is nog niet stabiel genoeg voor [de minderjarige] om terug te keren naar de moeder. De gedragsproblematiek van [de minderjarige] staat nu nog op de voorgrond. Het zorgelijke gedrag dat [de minderjarige] bij de moeder vertoonde, laat zij nu ook in het gezinshuis zien. Het is nog niet gelukt om hier passende hulpverlening voor in te zetten. De overlevingsstand waar [de minderjarige] nu in lijkt te verkeren moet eerst doorbroken worden. Het creëren van stabiliteit is noodzakelijk om [de minderjarige] de rust en ruimte te bieden om hulpverlening voor zichzelf aan te gaan. In het gezinshuis wordt er tegemoet gekomen aan de verhoogde zorgbehoefte van [de minderjarige] . De moeder is niet uit onwil, maar vanuit onmacht niet in staat om [de minderjarige] hierin te voorzien. De komende periode moet aandacht blijven voor het contactherstel tussen [de minderjarige] en beide ouders. Op dit moment worden de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de vader verder stapsgewijs uitgebreid. Als de belangen en het tempo van [de minderjarige] dit toelaten, zal er ook gekeken moeten worden naar de uitbreiding van de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder. De kinderrechter vindt dat voor nu het verblijf van [de minderjarige] bij het gezinshuis gecontinueerd moet worden en zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengen voor de duur van zes maanden.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 17 januari 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 17 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.