ECLI:NL:RBDHA:2026:22770

ECLI:NL:RBDHA:2026:22770

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer SGR 26/4249
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van een bestaande houten damwand door een nieuwe stalen damwand ten behoeve van het versterken van een regionale waterkering afgewezen. Beroep is gegrond, omdat het college het bouwplan heeft getoetst aan de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied gras, geconsolideerd”, dat geen door de gemeenteraad bij besluit vastgesteld bestemmingsplan is en dus geen juridisch bindende status heeft. Gelet op de door het college in het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026 gegeven motivering, bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 juni 2026 in stand te laten. Gebonden beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser], te [woonplaats], eiser,

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 26/4249 en SGR 26/5133

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

en

(gemachtigde: mr. M. Mehciz).

Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: het Hoogheemraadschap van Delfland en de provincie Zuid-Holland (vergunninghouders).

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het versterken van een regionale waterkering aan de Oostgaag in Maasland en Gaagweg in Schipluiden. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de vergunning in rechte stand kan houden.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Op 28 mei 2025 heeft BAM Infra B.V. in opdracht van het Hoogheemraadschap van Delfland en de provincie Zuid-Holland een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het vervangen van een bestaande houten damwand door een nieuwe stalen damwand. Deze wand zal deels op een van de percelen van eiser worden aangebracht.

Het college heeft met het besluit van 15 januari 2026 de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan de provincie Zuid-Holland voor (1) de technische bouwactiviteit en (2) een omgevingsplanactiviteit. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en op 28 mei 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/5133), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1], en ing. [naam 2], namens BAM Infra en mr.drs. [naam 3] en

[naam 4], namens de provincie.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen binnen 2 weken een nadere juridische onderbouwing van het bestreden besluit toe te sturen.

Op 24 juli 2026 heeft het college een wijzigingsbesluit genomen. Eiser heeft hierop gereageerd.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Omvang van het verzoek en beroep

3. Blijkens het verzoek- en beroepschrift richten het verzoek en beroep zich tegen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit en niet tegen de vergunning voor de technische bouwactiviteit.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt in de bijlage bij die wet gedefinieerd als:

a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan; b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of

c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Midden-Delfland (het omgevingsplan).

Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4.

Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat het tijdelijke deel van het omgevingsplan onder meer bestaat uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Het college heeft blijkens het bestreden besluit het bouwplan getoetst aan de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied gras, geconsolideerd”. In de uitspraak van 19 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het bestemmingsplan “Buitengebied Gras, geconsolideerd” geen door de gemeenteraad bij besluit vastgesteld bestemmingsplan is. Ook in de toelichting bij dit document wordt uiteengezet dat geen sprake is van een stuk met een juridisch bindende status, maar dat het gaat om een werkdocument waarin ten behoeve van de overzichtelijkheid de diverse toepasselijke bestemmingsplannen gezamenlijk zijn weergegeven. Voor de juridisch bindende regels en verbeelding dient blijkens de toelichting te worden teruggevallen op het moederplan “Buitengebied Gras”, inclusief de herzieningen en wijzigingen daarvan.

De voorzieningenrechter ziet geen reden dit oordeel niet te volgen. Het college heeft het bouwplan dus ten onrechte getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied Gras, geconsolideerd”, zodat het bestreden besluit van 22 juni 2026 reeds hierom niet in stand kunnen blijven, omdat daaraan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Het beroep is daarom gegrond.

Vervolgens zal de voorzieningenrechter bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 juni 2026, het bestreden besluit, in stand te laten.

Het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026

5. Het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026 moet worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit waartegen het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser van rechtswege mede gericht zijn. De voorzieningenrechter zal daarom in deze procedure het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026 beoordelen.

In het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026 heeft het college onderkend dat ten tijde van het besluit van 15 januari 2026 en de beslissing op bezwaar van 22 juni 2026 ten onrechte is verwezen naar het “bestemmingsplan Buitengebied Gras, geconsolideerd”. Het college heeft deze onjuiste grondslag gewijzigd in het bestemmingsplan “Buitengebied Gras”, dat is vastgesteld op 25 juni 2013 en “1e herziening Buitengebied Gras”, dat onherroepelijk is vastgesteld op 22 september 2022. De voorzieningenrechter volgt het college hierin.

De gronden waarop de damwand is voorzien hebben in deze bestemmingsplannen de enkelbestemmingen “Verkeer” en “Water” en de dubbelbestemmingen “Waterstaat-Waterkering” en “Waarde-Archeologie-4”. Het bouwplan is volgens het college in overeenstemming met de op grond van deze bestemmingen geldende planregels.

De verleende omgevingsvergunning blijft volgens het college, gelet op de uitkomst van de toetsing aan deze bestemmingsplannen, voor het overige ongewijzigd in stand.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijv. de uitspraak van 20 augustus 2025 en van 27 juli 2026) zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend die zich richten tegen de toets aan het bestemmingsplan. Ook overigens is niet gebleken dat het bouwplan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.

Gronden

6. Eiser voert aan dat het college zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen in de besluitvorming. Hij vreest dat de voorgenomen werkzaamheden directe gevolgen hebben voor zijn eigendom, de aanwezige infrastructuur en het feitelijk gebruik van woning, erf en waterperceel, zoals het verleggen van de waterleiding, gasleiding en elektriciteitskabels en het verwijderen dan wel tijdelijk buiten gebruik stellen van de toegangsburg naar zijn perceel. Volgens hem er een goed alternatief, waarbij de versterking van de regionale waterkering buiten zijn perceel kan plaatsvinden en de door hem genoemde nadelen niet zullen plaatsvinden, maar het college weigert dat inhoudelijk te beoordelen.

Het college stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet ziet op de vaststelling van het tracé voor de weg, de bushaltes, het verleggen van een waterleiding, de gasleiding of elektriciteitskabels, de toegangsburg of andere infrastructurele werkzaamheden op of langs het eigendom van eiser, maar op het vervangen van de bestaande damwand. Verder is in het verweerschrift aangegeven dat onder andere een alternatief is besproken met eiser waarbij de waterkering uitsluitend op provinciale grond wordt aangelegd, de weg wordt versmald, een geleiderail wordt aangelegd en de damwand wordt verhoogd. Dit alternatief had niet de voorkeur van eiser vanwege nadelige gevolgen voor zijn uitzicht op de polder.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet alleen kan worden geweigerd op grond van de in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan genoemde weigeringsgronden. Van strijd met het bestemmingsplan is echter geen sprake, zoals overwogen onder 5.3. Ook van andere weigeringsgronden is niet gebleken. In een dergelijk geval heeft het college bij zijn besluitvorming ten aanzien van de gevraagde omgevingsvergunning geen ruimte voor een belangenafweging. Dat betekent dat de door eiser genoemde redenen waarom zijn belangen onvoldoende in aanmerking zijn genomen hier geen rol kunnen spelen. Om die reden bestond voor het college evenmin ruimte om het door eiser voorgestelde alternatief bij de beoordeling van het bouwplan te betrekken.

Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan de beoordelingscriteria uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan en dat de aangevraagde omgevingsvergunning daarom moest worden verleend.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op de door het college in het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026 gegeven motivering, aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 22 juni 2026 in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit van 22 juni 2026 in strijd is met artikel 3:2, en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt dit besluit daarom. Het college heeft dit gebrek hersteld in het wijzigingsbesluit van 24 juli 2026, zodat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Omdat het beroep gegrond is en de rechtsgevolgen in stand worden gelaten, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 22 juni 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand