ECLI:NL:RBDHA:2026:22806

ECLI:NL:RBDHA:2026:22806

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer NL26.30375
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Dublin, Duitsland, interstatelijk vertrouwensbeginsel, 17 Dvo, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep samen met NL26.30376 op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek.

Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat de minister in zijn individuele geval voor Duitsland niet uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij heeft eerder traumatische ervaringen in Duitsland gehad. Eiser is in de opvangvoorzieningen aangevallen door Arabieren vanwege zijn seksuele gerichtheid en daarbij neergestoken. Volgens eiser heeft hij daarover geklaagd, maar kunnen de Duitse autoriteiten hem niet voldoende beschermen. Dat maakt dat voor hem persoonlijk ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Duitsland. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Duitsland, ook in de individuele situatie van eiser, mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat als uitgangspunt geldt dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan is meermaals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer in de uitspraken van 8 november 2023, 11 september 2024 en 14 februari 2025. Daarbij stelt de minister zich verder terecht op het standpunt dat Duitsland zich houdt aan de Europese richtlijnen, namelijk de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn, zoals deze golden tot 12 juni 2026. Indien Duitsland zich niet houdt aan deze richtlijnen is het aan eiser om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestond of bestaat. Dat eiser in het verleden vervelende ervaringen heeft gehad met andere bewoners van de Duitse opvanglocatie maakt nog niet dat hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ook acht de rechtbank daarbij van belang dat eiser eerder in Duitsland heeft geklaagd en heeft gevraagd om te worden overgeplaatst naar een andere opvangvoorziening, waar de Duitse autoriteiten gehoor aan hebben gegeven. Daaruit blijkt niet dat de Duitse autoriteiten zich onverschillig of onzorgvuldig hebben opgesteld ten aanzien van eiser of de door hem naar voren gebrachte problemen. De door eiser overgelegde mailberichten waaruit volgens hem volgt dat hij nog altijd wordt bedreigd, maken dit niet anders. Ook voor (toekomstige) vervelende gebeurtenissen of problemen in Duitsland geldt dat eiser indien nodig hulp of bescherming kan vragen van de Duitse autoriteiten.

Voor wat betreft eisers gestelde psychische klachten die zijn ontstaan als gevolg van de traumatische gebeurtenissen in Duitsland, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd (van een specialist) die zijn psychische klachten onderbouwen. Verder kunnen ook de gestelde psychische klachten in Duitsland adequaat behandeld worden. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat eiser in Duitsland medisch psychische zorg van vergelijkbare kwaliteit kan ontvangen als in Nederland en dat hij hier ook toegang toe heeft. Ook kan op grond van artikel 34 van de Dublinverordening, zoals gold tot 12 juni 2026, een overdracht van medische gegevens tussen Nederland en Duitsland plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?

5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling heeft genomen omdat overdracht aan Duitsland in zijn bijzondere omstandigheden van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft in Duitsland traumatische gebeurtenissen meegemaakt door zijn seksuele gerichtheid. Eiser heeft daar psychische klachten aan overgehouden die maken dat het voor hem persoonlijk, gelet op zijn individuele omstandigheden, onevenredig hard is als hij moet terugkeren naar Duitsland. De minister heeft de omstandigheden van eiser ten onrechte enkel beoordeeld in het licht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het bestreden besluit bevat daarom een motiveringsgebrek.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken van individuele omstandigheden waardoor de overdracht van eiser aan Duitsland onevenredig hard is. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het spijtig is dat eiser in Duitsland is blootgesteld aan traumatische gebeurtenissen en geweld vanwege zijn (gestelde) seksuele gerichtheid. Deze gebeurtenissen zijn betrokken bij de vraag of (in het individuele geval van eiser) ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank hierboven reeds overwogen dat eiser zich in het geval van problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Ook zijn psychische klachten maken niet dat de minister de asielaanvraag aan zich moest trekken vanwege onevenredige hardheid. Eiser heeft weliswaar een medisch stuk van de POH GGZ overgelegd, maar hieruit blijkt niet dat eiser onder behandeling staat van een psycholoog of psychiater. Daarnaast mag de minister erop vertrouwen dat er in Duitsland goede psychische zorg voor eiser beschikbaar is. Dat eiser in Nederland contact heeft met het COC is ook geen reden om zijn asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Het als gevolg van een overdracht stoppen van het contact met het COC, maakt de overdracht naar Duitsland namelijk niet onevenredig hard. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.H.W. Bodt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand