RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43656
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daar een aantal beroepsgronden tegen aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet onrechtmatig is. De rechtbank mag over de strafrechtelijke aanhouding die aan de maatregel vooraf is gegaan geen oordeel geven. Daarnaast heeft de minister de maatregel op een juiste grondslag gebaseerd, heeft hij de maatregel van voldoende gronden voorzien, had hij niet hoeven kiezen voor een lichter middel en ontbreekt het zicht op uitzetting naar Roemenië niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep in eerste instantie op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. E. Özel als gemachtigde van de minister. Omdat de tolk zich echter voor de zitting had afgemeld en eiser om die reden niet kon worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens met behulp van een beeldverbinding op 11 augustus 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de (on)rechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding gevolgen voor de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring?
3. Eiser voert aan dat hij voorafgaand aan zijn inbewaringstelling op strafrechtelijke grondslag is aangehouden. De officier van justitie heeft daarna besloten om het feit waarvoor eiser werd aangehouden te seponeren vanwege een gebrek aan bewijs. Eiser betoogt dat hierdoor zijn aanhouding (achteraf gezien) onrechtmatig is, waardoor ook de daaropvolgende maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig moet worden geacht. De bestuursrechter hoeft hierover niet te oordelen, omdat de onrechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding door de sepotbeslissing van de officier van justitie in rechte vast staat, aldus eiser.
Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak mag de bestuursrechter in een beroep tegen een inbewaringstelling alleen oordelen over het gebruik van bevoegdheden die bij of krachtens de Vw 2000 zijn toegekend. Als gebruik is gemaakt van een bevoegdheid die bij of krachtens een andere wet is toegekend, dan mag de bestuursrechter daar in het kader van een maatregel van vreemdelingenbewaring pas gevolgen aan verbinden als de daartoe bevoegde rechter heeft geoordeeld dat die bevoegdheid niet rechtmatig is gebruikt. In het geval van eiser is tussen partijen niet in geschil dat hij op strafrechtelijke grondslag is aangehouden. Bij deze aanhouding is (dus) geen gebruik gemaakt van een bevoegdheid toegekend bij of krachtens de Vw 2000. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken dat de daartoe bevoegde rechter heeft geoordeeld dat de strafrechtelijke aanhouding van eiser (vanwege de sepotbeslissing van de officier van justitie) onrechtmatig was. De rechtbank kan daarom niet tot het oordeel komen dat de gestelde onrechtmatigheid van de strafrechtelijke aanhouding gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Is de maatregel gebaseerd op de juiste grondslag?
4. Eiser betoogt dat de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring op een onjuiste grondslag heeft gebaseerd. De maatregel is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, maar die grondslag veronderstelt onrechtmatig verblijf. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Eiser is een Unieburger, en daarnaast heeft hij gevolg gegeven aan een eerdere verplichting om Nederland te verlaten (na intrekking van zijn verblijfsrecht) door zijn verblijf hier bestendig te beëindigen. Hij is immers in april 2025 uitgezet en op het moment dat hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld was hij – zo hij heeft verklaard – slechts twee weken in Nederland. Daardoor heeft hij op het moment van zijn inreis weer opnieuw rechtmatig verblijf verkregen.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij de maatregel van vreemdelingenbewaring op de juiste grondslag heeft gebaseerd. De minister heeft het Unierechtelijk verblijfsrecht van eiser op 31 oktober 2024 ingetrokken en hem verplicht om Nederland te verlaten. Bij de vraag of eiser aan dit besluit heeft voldaan, is van belang of eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, zodat een terugkeer naar Nederland in werkelijkheid geen voorzetting is van zijn eerdere verblijf. Daarbij is onder meer van belang hoe lang eiser buiten Nederland heeft verbleven en of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken. De minister wijst er terecht op dat dit niet het geval is. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij na zijn eerdere uitzetting een maand in Roemenië heeft verbleven omdat hij in Roemenië geen huis en geen werk (meer) had. Gelet op die verklaring kan niet worden gezegd dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Op zitting is namens eiser nog naar voren gebracht dat hij langer in Roemenië heeft verbleven en (pas) twee weken voor zijn inbewaringstelling naar Nederland is teruggekeerd, maar dat geeft geen reden voor een ander oordeel. Eiser heeft die stelling immers niet onderbouwd. Dat geldt ook voor eisers stelling dat het zijn bedoeling was om in Nederland werk te zoeken en een woning te vinden. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
5. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als gronden vermeld dat eiser
(a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
(b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
(r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
(s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; en
(t) verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft grond t op de zitting laten vallen. Deze ligt daarom niet langer aan de maatregel ten grondslag.
Eiser betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond a), omdat hij Unieburger is en heeft voldaan aan de onder 4 genoemde verplichting om Nederland te verlaten en zijn verblijf hier bestendig te beëindigen. Hem kan deze grond daarom niet worden tegengeworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden aanwezig om te kunnen aannemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft hiervoor, onder 4.1, geoordeeld dat eiser – anders dan hij zelf betoogt – geen gevolg heeft gegeven aan het besluit van 31 augustus 2024 tot intrekking van zijn Unierechtelijk verblijfsrecht en de verplichting om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen. Eiser is desondanks naar Nederland gereisd en heeft hier geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. De minister heeft de gronden a en b daarom terecht aan eiser tegengeworpen en deze zijn ook voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.
Had de minister moeten kiezen voor een lichter middel dan de inbewaringstelling?
6. Eiser betoogt dat de minister had moeten kiezen voor een lichter middel dan de inbewaringstelling. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij uit eigen beweging wilde vertrekken en dat hij niet meer terug wilde komen. Hij heeft daarmee voldoende garantie geboden dat hij zou gaan vertrekken. Gecombineerd met het feit dat eiser zich niet eerder aan het toezicht heeft onttrokken, had dat moeten leiden tot toepassing van een lichter middel dan de inbewaringstelling.
Dit betoog slaagt niet. Vreemdelingenbewaring blijft achterwege als de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. Hoewel eiser heeft verklaard zelf te willen vertrekken, heeft hij ook verklaard dat hij niet in het bezit is van geld of een bankrekening. De minister heeft er in de maatregel daarom terecht op gewezen dat de kans dat eiser zelfstandig terug zal gaan naar Roemenië klein is en terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Het enkele feit dat eiser zich niet eerder aan het toezicht heeft onttrokken kan daar – wat daar overigens ook van zij – niet aan afdoen. Dat laat immers onverlet dat eiser zonder geld niet in staat is om zijn terugreis naar Roemenië en daarmee zijn zelfstandig vertrek te bekostigen, zodat het maar de vraag is in hoeverre eiser in de gelegenheid is om zelfstandig te vertrekken.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
7. Eiser heeft erop gewezen dat hij staat gesignaleerd voor DNA-afname, dat zich in het dossier een brief van de minister bevindt waarin hij de officier van justitie vraagt of er bezwaar tegen de uitzetting van eiser bestaat en dat niet duidelijk is of die brief is verzonden of ontvangen, zodat niet duidelijk is of de officier van justitie bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. Voor zover eiser hiermee heeft betoogd dat het zicht op uitzetting ontbreekt, slaagt dat betoog niet. De minister heeft op zitting namelijk toegelicht dat de officier van justitie op 4 augustus 2026 per e-mail heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van eiser en deze e-mail aan het digitaal dossier toegevoegd. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt om de enkele reden dat onduidelijk is of de officier van justitie bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van vreemdelingenbewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.