ECLI:NL:RBDHA:2026:22828

ECLI:NL:RBDHA:2026:22828

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-08-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer NL26.44214
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Grensdetentie; artikel 6 lid 3 Vw 2000; lichter middel; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [x] , eiser

de ambtenaar belast met de grensbewaking

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44214

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

1. Deze uitspraak gaat over de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie die op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aan eiser is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daar een beroepsgrond tegen aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie rechtmatig is en dat de ambtenaar niet had hoeven volstaan met een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2026 heeft de ambtenaar aan eiser een maatregel van grensdetentie opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep in eerste instantie op 11 augustus 2026 door middel van telehoren op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de ambtenaar. Door een onoplosbare technische storing aan de zijde van het detentiecentrum op Schiphol was er echter geen beeldverbinding mogelijk. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst.

De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 12 augustus 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de ambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

Had de ambtenaar een lichter middel dan de maatregel van grensdetentie moeten toepassen?

3. Eiser betoogt dat de ambtenaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel dan de maatregel van grensdetentie. Tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij familieleden in Nederland heeft. In het proces-verbaal van het gehoor heeft de ambtenaar om die reden aangekruist dat eiser feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is, maar dat dit niet maakt dat moet worden volstaan met een lichter middel. In de maatregel zelf heeft de ambtenaar echter aangekruist dat eiser juist géén feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Het proces-verbaal van het gehoor wijkt daarom af van de maatregel, wat voor de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank recentelijk reden was om een maatregel van een andere vreemdeling op te heffen. Eiser wijst er daarnaast op dat zijn identiteit vaststaat, dat hij vanwege zijn eerdere aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor studie (die was ingewilligd) al was ‘doorgelicht’ en dat hij een intrinsieke asielwens heeft en daarom rechtmatig verblijf beoogt. Het belang van eiser bij een lichter middel weegt daarom zwaarder dan het grensbewakingsbelang.

Dit betoog slaagt niet. De ambtenaar heeft voldoende gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel dan de maatregel van grensdetentie. Het is op zich juist dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat een zus, nichtjes en een tante van hem in Nederland wonen. Het is eveneens juist dat in het verslag van het gehoor is aangekruist dat eiser (daarom) feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is, en dat in de maatregel vervolgens is aangekruist dat dit niet het geval is. De rechtbank is echter met de ambtenaar – en (dus) anders dan de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank – van oordeel dat hieruit geen motiveringsgebrek voortvloeit. Het voorgaande kan namelijk, zoals de ambtenaar op zitting terecht naar voren heeft gebracht, niet anders worden begrepen dan dat de ambtenaar het enkele feit dat eiser enkele familieleden in Nederland heeft van onvoldoende belang heeft geacht bij zijn afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. De rechtbank kan dat standpunt ook volgen. Eiser heeft verder immers niet over enige vorm van (bijzondere) afhankelijkheid verklaard en heeft desgevraagd niet verklaard dat hij bezwaar heeft tegen het opleggen van de maatregel. Daarom valt niet in te zien waarom de aanwezigheid van familieleden in Nederland aan de maatregel in de weg staat en waarom de ambtenaar daar in de maatregel (uitdrukkelijk) aandacht aan had moeten besteden. Evenmin had tot toepassing van een lichter middel moeten leiden dat de identiteit van eiser vaststaat, dat hij in het kader van een eerdere verblijfprocedure al is ‘doorgelicht’ en dat hij met zijn asielwens rechtmatig verblijf beoogt. De ambtenaar heeft zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat dit niet opweegt tegen het grensbewakingsbelang, omdat eiser kennelijk met een ander doel naar Nederland is gereisd (het indienen van een asielaanvraag) dan het verblijfsdoel waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf aan hem is verleend. De minister van Asiel en Migratie mag daarom eerst in de gelegenheid worden gesteld om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning asiel alvorens hem toegang tot Nederland te verlenen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de vrijheidsontnemende maatregel in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De ambtenaar hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg

Griffier

  • mr. S.J.B. ter Beke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand