Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 17 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Salhi te Rijswijk.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 29 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2] .
- De man is ook de vader van [de minderjarige 3] ( [de minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum 3] 2013 te [geboorteplaats 3] .
- De kinderen verblijven feitelijk bij de vrouw.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank met zaak- en rekestnummer C/09/697004 / FA RK 25-9968.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe dat een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt vastgesteld, waarbij:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vrouw verzoekt tevens zelfstandig:
Beoordeling
Toevertrouwing van de kinderen
De vrouw verzoekt de rechtbank om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van het geding aan haar toe te vertrouwen omdat zij gedurende het huwelijk altijd de zorg over de kinderen heeft gehad.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen dit verzoek. Bovendien is uit de stukken gebleken dat de man in de echtscheidingsprocedure heeft verzocht om het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, toe te wijzen.
Omdat niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek om de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Zorgregeling
De ouders hebben gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Zij zijn overeengekomen dat er in de komende periode eens per week voor de duur van twee uur begeleid contact zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling is met de ouders gesproken over de organisatie die deze contactmomenten dient te begeleiden, omdat de ouders daarover van mening verschillen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders verstoord is, dat het hen slechts in beperkte mate lukt om samen te werken en dat hun onderlinge communicatie moeizaam verloopt. Daarom is – mede naar aanleiding van de suggestie daartoe van de Raad – gesproken over de mogelijkheid om de ouders via het Uniform Hulpaanbod door te verwijzen voor omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan de trajecten ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. De rechtbank zal de ouders en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
Gelet op het feit dat onderhavige procedure een voorlopige voorzieningenprocedure is, verzoekt de rechtbank de ouders om de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/697004 en FA RK 25-9968 tijdig te informeren over het verloop van voornoemde trajecten. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject eveneens indient in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/697004 en FA RK 25-9968. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank in die procedure tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/697004 en FA RK 25-9968. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Tot slot merkt de rechtbank in dit verband op dat de ouders zijn overeengekomen om de contactmomenten tot aanvang van de voornoemde trajecten te laten begeleiden door Humanitas. De ouders hebben al contact gehad met deze organisatie en zullen zelf de aanmelding bij Humanitas in orde maken.
Videobellen
De ouders zijn het niet met elkaar eens geworden over de videobelmomenten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij ten minste eens per week kort met de kinderen zou willen videobellen. De vrouw stelt dat dit niet mogelijk is vanwege de jonge leeftijd van de kinderen.
De rechtbank ziet – net als de Raad – wel toegevoegde waarde in wekelijkse videobelmomenten tussen de kinderen en de man, maar begrijpt ook de bezwaren van de vrouw in verband met de leeftijd van de kinderen. Met inachtneming daarvan zal de rechtbank bepalen dat de kinderen voorlopig eens per week op woensdag een – gelet op de beperkte aandachtsspanne van de zeer jonge kinderen – kort videobelmoment zullen hebben met de vader op een door partijen nader overeen te komen tijdstip.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Bij de vaststelling de voorlopige kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Omdat de vrouw heeft verzocht om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van haar zelfstandig verzoek en de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 24 juni 2026 (de datum van indiening van het zelfstandig verzoek).
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 43.932,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld, zoals blijkt uit de jaaropgave 2025 van de vrouw.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op het moment van het huwelijk op € 2.978,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 27.000,- bruto per jaar, zoals blijkt uit het bericht van Simple Advies over de fiscale winst van de man in 2025. Partijen zijn het erover eens dat in het kader van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure van deze winst uit onderneming moet worden uitgegaan bij de berekening van de behoefte van de kinderen.
De rechtbank houdt verder rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op het moment van het huwelijk op € 2.156,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 5.134,- per maand (€ 2.978,- (NBI vrouw) + € 2.156,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 254,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.239,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.296,- per maand.
Behoefteverhogende kosten
De vrouw stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 373,-per maand.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd waarom de door haar gemaakte netto opvangkosten niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het tabelbedrag te verhogen. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt met verhoging van de hiervoor genoemde kosten € 1.669,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 43.932,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij – net als partijen – uit van de jaaropgave 2025 van de vrouw.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.877,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.877 – (1.163 + 1.365)] = € 944,- per maand.
Draagkracht man
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming in 2025 of van de gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2023, 2024 en 2025.
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 27.000,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de winst uit onderneming die de man in 2025 heeft gemaakt, aangezien deze winst lager is dan het minimumjaarloon en de rechtbank het – naar aanleiding van dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken – niet onaannemelijk acht dat de man nog andere inkomsten heeft.
De rechtbank houdt verder rekening met de MKB-winstvrijstelling en de zelfstandigenaftrek.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 2.159,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.150,- en € 2.200,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 116,- per maand voor de man in aanmerking nemen.
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.060,- per maand (€ 944,- + € 116,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 609,- per maand.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man voorlopig gemiddeld minder dan een dag per week de zorg heeft voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , geldt een percentage van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 83,- per maand ((5% van €1.669,- (behoeftebedrag)).
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Tussen partijen is niet in geschil dat de man ook onderhoudsplichtig is voor [de minderjarige 3] . Wel in geschil is de hoogte van de onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige 3] waarmee rekening moet worden gehouden.
De rechtbank stelt vast dat de man de behoefte van [de minderjarige 3] en de draagkracht van de andere ouder van [de minderjarige 3] niet met stukken heeft onderbouwd en dat ook niet is gesteld of gebleken dat [de minderjarige 3] een veel hogere behoefte heeft dan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . In het kader van deze voorlopige voorzieningen acht de rechtbank het daarom redelijk om de draagkracht van de man gelijk te verdelen over de drie kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is.
Conclusie
Op basis van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandige verzoek tot vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie, te weten 24 juni 2026, een voorlopige kinderalimentatie moet voldoen van € 78,- per maand. Dat is € 39,- per maand per kind (€ 116,- / 3).
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats 2] , aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] :
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] , (de vader)
wonende aan [adres 1] ,
en
[de vrouw] , (de moeder)
wonende aan [adres 2] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders en de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/697004 en FA RK 25-9968 informeren over het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/697004 en FA RK 25-9968;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 juni 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zal betalen van(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) € 78,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*wijst af het meer of anders verzochte.