Zaak C/09/686622 (gezag, omgang en kinderalimentatie)
De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 21 mei 2025 ingekomen verzoekschrift namens de man.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man strekt ertoe – voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad–:
De bijzondere curator adviseert een DNA-onderzoek te gelasten om het biologische vaderschap tussen de man en [minderjarige] vast te stellen en de verdere beslissing aan te houden in afwachting van de resultaten van dit onderzoek.
De moeder heeft tot nu toe nog geen verweer gevoerd.
Zaken C/09/685841 en C/09/686622
Op 3 juni 2026 zijn beide zaken gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- aanvankelijk de advocaat van de man en tolk A.K. Umar;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk P.A. Duijvenkam;
- de bijzondere curator.
De man is later verschenen en heeft de zitting gedeeltelijk bijgewoond.
Na de zitting heeft de rechtbank in zaak C/09/685841 (vervangende toestemming erkenning) ontvangen:
- de brief van 3 juni 2026, met bijlagen, namens de man, onder meer inhoudende een
wijziging van het verzoek;
- de brief van 3 juni 2026 van de bijzondere curator.
Zaken C/09/685841 en C/09/686622
Feiten
voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde [minderjarige] op grond van artikel
1:212 BW te vertegenwoordigen.
- De moeder heeft uit eerdere relaties nog zes andere kinderen, waaronder vier
minderjarige kinderen.
Beoordeling
Zaak C/09/685841 (vervangende toestemming erkenning)
Rechtsmacht
Omdat de man de gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is in beginsel het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van [minderjarige] , alsmede op de voorwaarden voor erkenning. Omdat de man de Ghanese nationaliteit bezit, worden deze vragen dan ook in eerste instantie beantwoord naar Ghanees recht.
De bijzondere curator heeft ten aanzien van het Ghanese recht onder meer het volgende naar voren gebracht. In Ghana kent het materiële recht (de Children's Act, 1998, herzien in 2016) de mogelijkheid van erkenning of gerechtelijke vaststelling van vaderschap buiten
huwelijk. Erkenning naar Ghanees recht kan plaatsvinden zonder toestemming van de
moeder — bijvoorbeeld door een bij de wet of gewoonterecht voorziene handeling van
de vader. Zo kan vaderschap worden bevestigd door vermelding van de vader op de
geboorteakte of door een naar Ghanees gewoonterecht afgelegde verklaring of
gedraging waaruit het vaderschap blijkt. Een dergelijke erkenning (‘acknowledgement
of paternity’) onder Ghanees gewoonterecht is vormvrij (bijvoorbeeld: een
mondelinge verklaring, een ceremonie, of feitelijk zorgdragen) en leidt ertoe dat een
familierechtelijke band tussen vader en kind ontstaat, inclusief de status van wettig
kind en onderhoudsverplichtingen voor de vader. In de praktijk betekent dit dat de
Nederlandse rechter zal toetsen of aan de voorwaarden van Ghanees recht voor
erkenning is voldaan. Is dat het geval, dan kan de erkenning naar Ghanees recht tot
stand komen — desnoods met instructies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om
dit te registreren — zelfs als de moeder haar toestemming weigert.
De man staat niet op de geboorteakte vermeld. Beoordeeld dient dan ook te worden of
erkenning door de man naar Ghanees gewoonterecht heeft plaatsgevonden. De bijzondere curator geeft aan op basis van de beschikbare informatie, enkel het gesprek met de man zonder enig bewijs, niet tot een deugdelijk advies te kunnen komen. De bijzondere curator stelt daarom voor de man in de gelegenheid te stellen om met bewijsstukken te onderbouwen of er sprake is van (vormvrije) erkenning van [minderjarige] door de man naar Ghanees gewoonterecht, waarna de bijzondere curator een definitief standpunt zal innemen.
In reactie op het verslag van de bijzondere curator heeft de man een nadere toelichting gegeven. De man verwijst naar het Ghanees recht, de artikelen 9 en 10 van de 'Maintenance of Children Decree 1977'. De man stelt dat er geen naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden (vereiste A) en dat er geen vader staat vermeld op de geboorteakte van [minderjarige] (vereiste B). De man stelt verder dat is voldaan aan het vereiste van het verzorgen en onderhouden van het kind (vereiste C). Zo stelt hij dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding (volgens de man heeft hij samen met de moeder, [minderjarige] en de andere kinderen in [plaats] gewoond), heeft hij [minderjarige] verzorgd (hij ging mee naar doktersbezoeken, consultatiebureau) en heeft hij [minderjarige] financieel ondersteund (gaf de moeder iedere maand € 150 in contanten). Er is geen verklaring van de moeder over het vaderschap van de man (vereiste D), De man stelt hieraan niet te kunnen voldoen, omdat de moeder dwars ligt en een totaal ander beeld schetst bij de bijzondere curator.
De stellingen van de man worden door de moeder betwist. De man heeft aangegeven dat hij nog aanvullende stukken als bewijs zal indienen.
Op 18 augustus 2025 heeft de man zijn toelichting over de onderbouwing van zijn verzoek nader aangevuld. Hij stelt in bewijsnood te verkeren. Wel heeft hij diverse foto’s overgelegd.
Hierop geeft de bijzondere curator aan dat de man niet is geslaagd in het bewijzen dat er sprake is van (vormvrije) erkenning van [minderjarige] door hem naar Ghanees gewoonterecht. Volgens de bijzondere curator heeft er geen erkenning naar Ghanees recht plaatsgevonden.
De rechtbank volgt het standpunt van de bijzondere curator dat de man er niet in is geslaagd te bewijzen dat er sprake is van (vormvrije) erkenning van [minderjarige] door hem naar Ghanees gewoonterecht. In het licht van de betwisting door de moeder heeft de man alleen enkele foto’s overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om de vormvrije erkenning van [minderjarige] door hem naar Ghanees recht aan te nemen.
Op grond van artikel 10:95, eerste lid, BW is in dat geval het Nederlandse recht van toepassing op de vraag of en onder welke voorwaarden de man bevoegd is [minderjarige] te erkennen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Op grond van artikel 10:95, derde lid juncto vierde lid, BW is op de vraag of de moeder toestemming moet geven voor de erkenning, het Nederlandse recht van toepassing omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit bezit. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.
Inhoudelijke beoordeling
Artikel 1:204, derde lid BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen is in geschil of de man de verwekker van [minderjarige] is.
De man stelt dat hij de verwekker is van [minderjarige] . De moeder betwist dit met klem en stelt dat de man op het moment van de verwekking niet in Nederland was en dat een andere Ghanese man de verwekker van [minderjarige] is. Gelet hierop verzoekt de bijzondere curator aanvullend om DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is en de verdere beslissing aan te houden in afwachting van de resultaten van dit onderzoek.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de bijzondere curator tot gelasting van een DNA-onderzoek. Zij stelt dat de noodzaak en proportionaliteit om het door de bijzondere curator verzochte DNA-onderzoek te bevelen ontbreekt. Volgens de moeder baseert de bijzondere curator het verzoek enkel op vermoedens en stellingen van de man en niet op concrete aanwijzingen dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. De moeder kent de verwekker van [minderjarige] en dat is niet de man. Slechts algemene en vage mededelingen van de man zijn volgens de moeder onvoldoende grond voor een zo ingrijpende maatregel als DNA-onderzoek. Ook stelt de moeder dat de acties van de man erop gericht zijn om een verblijfstatus in Nederland te verkrijgen. Verder betoogt de moeder dat een DNA-onderzoek een vergaande inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van [minderjarige] is. Deze inbreuk kan slechts gerechtvaardigd zijn bij een zwaarwegend en concreet belang van [minderjarige] , wat hier ontbreekt. Daarnaast stelt de moeder dat het opleggen van DNA-onderzoek de gezinsrust ondermijnt en kan leiden tot emotionele schade bij zowel haar als [minderjarige] . Deze continuïteit van het gezinsleven is eveneens beschermd onder artikel 8 EVRM. De moeder voert verder aan dat het belang van het kind onvoldoende onderbouwd is. Het recht op afstemmingsinformatie is belangrijk en om die reden heeft de moeder [minderjarige] enig contact laten hebben met haar echte vader. De echte vader is echter naar Ghana vertrokken. Volgens de moeder is er geen enkele aanwijzing dat [minderjarige] thans hinder ondervindt van het feit dat haar echte vader op dit moment niet in Nederland is. Tot slot betoogt de moeder dat DNA-onderzoek het meest ingrijpende middel is om biologische verwantschap vast te stellen. De moeder meent dat de bijzondere curator heeft nagelaten minder vergaande mogelijkheden te onderzoeken, zoals het horen van getuigen of het raadplegen van medische gegevens uit de conceptieperiode.
De man kan zich vinden in het verzoek van de bijzondere curator. De man is ervan overtuigd dat hij de verwekker van [minderjarige] is, maar hij is er onvoldoende in geslaagd om dit te bewijzen. Een DNA-onderzoek is daartoe nu het meest gerede middel. De man is bereid om hieraan mee te werken.
Op de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over het verzoek van de man en het verrichten van een DNA-onderzoek. Tijdens deze behandeling is vervolgens (onverwachts) naar voren gekomen dat [minderjarige] op 7 augustus 2025 door een andere man, [naam] , is erkend. Dit is gebeurd na het indienen van het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te erkennen. Op 1 juni 2026, zeer kort voor de zitting, is namens de moeder een foto van de akte van erkenning bij de rechtbank ingediend en een kopie aan de man gestuurd. Omdat deze akte van erkenning niet op de juiste manier was ingediend, is deze niet door de rechtbank in behandeling genomen.
In reactie hierop heeft de man op de zitting aangegeven te persisteren bij een DNA-onderzoek. Het verzoek van de man is op 21 mei 2025 ingediend. De moeder was op de hoogte van deze procedure en heeft de erkenning niet aan de bijzondere curator gemeld. Slechts kort voor de zitting komt de moeder met deze informatie. De man vindt dit zeer kwalijk. De man heeft op 3 juni 2026 de eerder op onjuiste wijze door de moeder ingediende foto van de akte van erkenning op juiste wijze ingediend.
De bijzondere curator heeft op zitting en daarna ook schriftelijk naar voren gebracht dat de erkenning na de aanvang van deze procedure heeft plaatsgevonden. Uit jurisprudentie volgt dat in dat geval de moeder slechts voorwaardelijke toestemming kan verlenen tot erkenning, totdat de rechter in de al lopende procedure heeft beslist. Als de rechtbank nu vervangende toestemming tot erkenning aan de man verleent, komt de erkenning door die andere man van rechtswege te vervallen. De bijzondere curator verzoekt om uitdrukkelijk in de beschikking op te nemen dat de erkenning door de nieuwe man geen rechtsgevolg heeft dan wel nietig is. De bijzondere curator vindt DNA-onderzoek nog steeds het meest gerede middel. Verder geeft de bijzondere curator de rechtbank mee dat, voor het geval de moeder blijft volharden in het niet meewerken aan DNA-onderzoek, de rechtbank dan hieraan de gevolgen kan verbinden die zij gerade acht en kan concluderen dat de man de biologische vader van [minderjarige] is.
Gelet op de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen, kan de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming nu nog niet inhoudelijk beoordelen. Gebleken is dat [naam] [minderjarige] op 7 augustus 2025 met toestemming van de moeder heeft erkend bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam en dat het recht van Ghana op de erkenning is toegepast. Dit betekent dat [naam] als in deze procedure zal moeten worden aangemerkt als belanghebbende en in de gelegenheid moet worden gesteld om te reageren op voorliggend verzoek omdat dit hem rechtstreeks in zijn belangen raakt. De rechtbank zal [naam] hiervoor een termijn geven van vier weken. De behandeling van de zaak zal daarom worden aangehouden.
Daarbij geeft de rechtbank partijen op voorhand mee dat de rechtbank het standpunt van de bijzondere curator zal volgen. Immers, in het geval een procedure bij de rechter aanhangig is over de vraag of de gronden tot weigering van de vervangende toestemming ontbreken –zoals in dit geval–, kan de moeder aan een ander slechts voorwaardelijk toestemming tot erkenning verlenen, totdat de rechter heeft beslist. Die toestemming heeft dan alleen gevolg indien de rechter de vervangende toestemming weigert te verlenen. Zie hiervoor bijvoorbeeld de arresten van de Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0745 en van 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3196.
De moeder stelt, maar heeft niet nader onderbouwd dat [naam] de biologische vader van [minderjarige] is en de man heeft dit betwist. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat [naam] de biologische vader van [minderjarige] is. De moeder wordt tot uiterlijk 1 september 2026 in de gelegenheid gesteld door middel van een rapport van DNA-onderzoek aan te tonen dat [naam] de biologische vader van [minderjarige] is, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek en monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de
vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld
in artikel 4, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, welk besluit op 1 maart 2009 in
werking is getreden, stelt de rechtbank voorts de navolgende eisen aan een rapport van
DNA-onderzoek: uit het rapport dient te blijken dat het onderzoek is verricht in een
laboratorium: dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de
criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de
aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of
Forensic Genetics (FSI 2007).
Als er door de moeder tijdig een DNA-onderzoeksrapport wordt ingediend dat voldoet aan de eisen die de rechtbank daaraan stelt en daaruit blijkt dat [naam] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader van [minderjarige] is, zal de rechtbank het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] afwijzen. In alle andere gevallen zal de rechtbank de moeder geen gelegenheid geven om mee te werken aan een DNA-onderzoek ten aanzien van de mogelijke verwantschap tussen de man en [minderjarige] , omdat dit geen enkele zin heeft nu de moeder meerdere malen, ook nog op zitting, uitdrukkelijk heeft aangegeven daaraan geen medewerking te zullen verlenen. Uit deze weigering van de moeder om mee te werken aan een dergelijk DNA-onderzoek maakt de rechtbank de gevolgtrekking die zij geraden acht en dat is dat de rechtbank er in die situatie vanuit zal gaan dat de man de biologische vader van [minderjarige] is.
De rechtbank zal het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning pro forma aanhouden, zoals na te melden.
Aanhouden overige verzoeken
De behandeling van de overige verzoeken zal de rechtbank eveneens aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
*
verleent aan [naam] als belanghebbende, een termijn van vier weken na heden om te reageren op het voorliggende verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] ;
*
stelt de moeder tot uiterlijk 1 september 2026 in de gelegenheid een DNA-rapport in te dienen ten aanzien van de mogelijke verwantschap tussen [naam] en [minderjarige] dat moet voldoen aan de eisen zoals die in deze beschikking zijn geformuleerd, bij gebreke waarvan de rechtbank de gevolgtrekking maakt die zij geraden acht;
*
bepaalt dat partijen en de bijzondere curator uiterlijk op 15 september 2026 hierop zullen reageren en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning, het gezag, de omgangsregeling c.q. zorgregeling, kinderalimentatie en proceskosten aan tot 15 september 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2026.