RECHTBANK DEN HAAG
Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf
[client] ,
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/702546 / FA RK 26-3222
Datum beschikking: 15 juli 2026
Beschikking naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. D.J. Ladrak te Warmond.
Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 1 april 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 8 november 2025;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 27 maart 2026;
- een op 26 maart 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, M. de Boer-van der Trogt, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft aanvankelijk plaatsgevonden op 15 april 2025. Op deze datum is de behandeling van het verzoek aangehouden, zodat er een nieuw neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd kon worden.
Van de zitting van 15 april 2026 is een proces-verbaal opgemaakt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de specialistenbrief van 4 juni 2026 met daarin de uitslag van het neuropsychologisch onderzoek.
De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 15 juli 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de casemanager, [naam 1] ;
- de huisarts, [naam 2] ;
- de partner van cliënt.
Standpunten ter zitting
Door en namens cliënt is verzocht het verzoek af te wijzen. Om afwijzing wordt verzocht, omdat er geen sprake is van een uitvoerige neurocognitieve stoornis. De advocaat van cliënt sluit niet uit dat er sprake is van een beginnende vorm van dementie, maar deze is nog niet zodanig dat er een rechterlijke machtiging nodig is. Uit de brief van de medisch specialist blijkt dat die tijdens het persoonlijk psychiatrisch onderzoek heeft waargenomen dat cliënt georiënteerd is in tijd, plaats en persoon, dat het korte- en langetermijngeheugen ongestoord is, dat het oordeelsvermogen intact is en het abstractievermogen ongestoord. Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een stoornis dan wordt verweer gevoerd op het ernstig nadeel. Cliënt is de afgelopen periode aangekomen en de relatie met haar partner verloopt beter. De medicatie-inname blijft een aandachtspunt en het is belangrijk dat cliënt en haar partner in contact moeten blijven met de casemanager. Subsidiair wordt om afwijzing verzocht, omdat het indicatiebesluit buiten cliënt om is genomen.
De casemanager heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij heeft geprobeerd om op een rustige manier hulpverlening in te bouwen, maar geen enkele vorm komt van de grond en wordt geweigerd door zowel cliënt als haar partner.
De huisarts heeft ter zitting aangegeven dat na contact met de apotheek en uit de medicatierollen in de woning blijkt dat medicatie regelmatig niet wordt opgehaald of niet wordt ingenomen. Dit is zorgelijk, omdat deze medicatie wel belangrijk is voor de gezondheid van cliënt. Daar komt bij dat cliënt veel is afgevallen. Thuiszorg is onvoldoende, omdat de zorg onplanbaar is geworden.
Beoordeling
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat geen sprake is van een situatie waarin cliënt niet langer thuis zou kunnen blijven wonen. Sinds de vorige zitting lijkt sprake te zijn van een veranderde situatie. De inname van vocht en voeding gaat beter, hetgeen ook wordt bevestigd door de partner van cliënt. Daar komt bij dat het feit dat cliënt eerder agressief geweest zou zijn richting partner is teruggenomen door partner. Dit maakt, samen met het feit dat niet alle alternatieven zijn uitgeput, dat de rechtbank van oordeel is dat een rechterlijke machtiging op dit moment nog niet noodzakelijk is. Daarom zal het verzoek worden afgewezen.
De rechtbank benadrukt wèl dat het van groot belang is dat cliënt haar medicatie structureel inneemt en dat zowel zij als haar partner in contact blijven met de casemanager. Indien de casemanager aangeeft dat bepaalde hulpverlening, zoals thuiszorg, noodzakelijk is, dan is het belangrijk dat dit wordt geaccepteerd.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Nijenhuis, rechter, bijgestaan door mr. E.M.C. Mulders als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juli 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.