Alimentatie
Beschikking op het op 12 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Ossentjuk te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.C.C. Klarus-Blomjous te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het F9-formulier van 3 maart 2026 van de zijde van de man met bijlage;
- het F9-formulier van 11 maart 2026 van de zijde van de man met bijlage;
- het F9-formulier van 26 april 2026 van de zijde van de vrouw;
- de brief van 8 juni 2026 met F9-formulier van de zijde van de man met twee aanvullende verzoeken en bijlagen;
- de brief van 8 juni 2026 met F9-formulier van de zijde van de vrouw met bijlagen;
- de brief van 9 juni 2026 met F9-formulier van de zijde van de vrouw met bijlagen 12 en 13. Deze brief is, ondanks de te late indiening, toegelaten nu het ging om een tweetal verbeterde producties die op 8 juni 2026 -zodoende binnen de termijn- al zijn ingediend.
De advocaat van de vrouw heeft op 9 juni 2026 en 12 juni 2026 nadere stukken ingediend met een F9-formulier, waaronder een tweetal brieven en producties 15 t/m 17. Deze zijn te laat ingediend en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Op 18 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1989 tot [datum 2] 2018.
- De rechtbank in Bratislava, Slowakije, heeft bij vonnis van 16 januari 2018 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is vanaf [datum 2] 2018 rechtsgeldig.
- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
- Uit het uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat de vrouw is geregistreerd als niet ingezetene met als datum sinds 6 januari 2020. De bijhouding is op die datum opgeschort met als reden: Emigratie. Het adres van de vrouw per 18 september 2020 in [land] is bekend.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van 3 december 2020, is bepaald dat de man per 26 oktober 2020 een bedrag aan partneralimentatie voldoet aan de vrouw van € 3.923, - netto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en de beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 3 augustus 2022 is de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2020, hersteld per beschikking van 3 december 2020, bekrachtigd.
Verzoek en verweer
De man verzoekt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2020 – :
In de bodemprocedure:
Toepasbaar recht, duur en hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage:
Primair
te verklaren voor recht, althans te verklaren, dat het Slowaakse recht van toepassing is op de partneralimentatie en daarmee ook op de partneralimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw;
te verklaren voor recht, althans te verklaren, dat de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw op basis van het Slowaakse recht, door termijnverstrijking op 31 januari 2023, dan wel per een datum als de rechtbank juist acht, is komen te vervallen.
Subsidiair
te verklaren voor recht, althans te verklaren, dat de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw op basis van het Nederlandse recht, door termijnverstrijking op 26 april 2025 dan wel per een datum als de rechtbank juist acht, is komen te vervallen.
Meer subsidiair
op basis van een relevante wijziging van omstandigheden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud per 26 april 2025 op nihil te bepalen, althans op een zodanig bedrag per een zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht.
Onverschuldigde betalingen en wettelijke rente:
te bepalen dat de vrouw de door haar van de man ontvangen onverschuldigd betaalde alimentatiebedragen aan de man dient terug te betalen, dit tot en met 31 december 2025 ten bedrage van:
Primair (op basis van de datum 31 januari 2023, einde termijn naar Slowaaks recht):
€ 161.344,54 +PM voor de onverschuldigde betalingen door de man aan de vrouw uit hoofde van partneralimentatie vanaf 1 januari 2026;
Subsidiair (op basis van de datum 26 april 2025, einde termijn naar Nederlands recht danwel nihilstelling door ontbreken van behoefte):
€ 39.164,44 +PM voor de onverschuldigde betalingen door de man aan de vrouw uit hoofde van partneralimentatie vanaf 1 januari 2026;
de bedragen van € 161.344,54 en € 39.164,44 te verhogen met de hierover verschuldigde wettelijke rente (primair) vanaf de datum van onderhavig verzoekschrift dan wel, (subsidiair) vanaf de datum van de te geven beschikking;
de PM bedragen te verhogen met de hierover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de man deze betalingen onverschuldigd aan de vrouw heeft verricht;
de in deze te geven beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
de vrouw te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
De man heeft per brief van 8 juni 2026 nog een tweetal aanvullende verzoeken geformuleerd, waarvan de rechtbank op de zitting van 18 juni 2026 heeft begrepen dat dit was bedoeld als nadere onderbouwing van voormelde verzoeken.
Bij wijze van voorlopige voorziening:
Primair
1. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, (primair) per 31 januari 2023, dan wel (subsidiair) per 26 april 2025, op nihil te stellen, dan wel (meer subsidiair) per een door de rechtbank in een goede justitie te bepalen datum op een zodanig bedrag te stellen als de rechtbank juist acht.
Subsidiair
2. De tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 3 december 2020, te schorsen daar waar het betreft de beslissing van de rechtbank dat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.923,00 netto per maand (geïndexeerd (2025) € 4.815,31 per maand) aan partneralimentatie dient te voldoen, danwel te schorsen per een zodanige datum als de rechtbank juist acht.
3. De in deze te geven beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De vrouw te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
De man heeft zijn verzoek in het kader van de voorlopige voorzieningen op de zitting ingetrokken.
Rechtsmacht
Gezien het internationale karakter van de zaak dient aan de hand van de verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 (hierna: de Alimentatieverordening) beoordeeld te worden of de rechtbank rechtsmacht toekomt. De Nederlandse rechter kan aan de artikelen 1 tot en met 4 van de Alimentatieverordening geen rechtsmacht ontlenen. Uit het bepaalde in artikel 5 van de Alimentatieverordening volgt dat de Nederlandse rechter desalniettemin rechtsmacht heeft indien verweerder verschijnt en niet de exceptie van onbevoegdheid opwerpt. Nu de vrouw in de procedure is verschenen en de bevoegdheid door haar niet wordt betwist, doet de uitzondering van artikel 5 van de Alimentatieverordening zich hier voor. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, zodat de rechtbank het verzoek van de man zal behandelen.
Einde alimentatieverplichting?
Toepasselijk recht
Primair verzoekt de man te verklaren voor recht dat de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw op basis van het Slowaakse recht is komen te vervallen.
De man stelt dat er tussen partijen geen verplichting meer bestaat om in elkaars levensonderhoud te voorzien. Naar Slowaaks recht wordt deze slechts toegekend voor maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de echtscheidingsbeslissing onherroepelijk is geworden. Dat is het geval sinds [datum 2] 2018, zodat de alimentatieverplichting naar Slowaaks recht, volgens de man, is geëindigd op [datum 2] 2023.
De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de man niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek. Indien de rechtbank Slowaaks recht van toepassing acht, verzoekt de vrouw om een nadere termijn voor het innemen van een standpunt. Ze heeft al veel kosten gemaakt en wil niet op voorhand juridisch advies over Slowaaks recht inwinnen.
De rechtbank overweegt als volgt. Conform artikel 15 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009) wordt het toepasselijk recht bepaald overeenkomstig het Haags Protocol van 23 november 2007. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft. In dit geval zou dat betekenen dat Slowaaks recht van toepassing is, omdat de vrouw in [land] haar gewone verblijfplaats heeft.
Op grond van artikel 5 van het Haags Protocol van 23 november 2007 is het Nederlands recht van toepassing indien het recht van een andere staat, in het bijzonder dat van de staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. Bij de beoordeling van de vraag of het huwelijk een nauwere band heeft met Nederland, dienen alle factoren te worden meegewogen. Dit is reeds in de eerdere partneralimentatieprocedure door de rechtbank en het gerechtshof beoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit opnieuw te beoordelen. De rechtbank zal derhalve op het alimentatieverzoek Nederlands recht toepassen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, ook indien zij over zou gaat tot het opnieuw toetsen van de nauwere verbondenheid, zij niet tot een ander oordeel zou komen. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden.
De man verwijst naar het Mölk-arrest van het HvJEU van 20 september 2018, nr. c-214/17. In die situatie is er door de onderhoudsplichtige een verzoek ingediend met het oog op een verlaging van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, terwijl het verzoek van de man ziet op de beëindiging van de termijn van de partneralimentatie. De man wenst met zijn verzoek en de verwijzing naar het arrest een wijziging aan te brengen op de vraag of de vrouw wel of geen recht heeft op partneralimentatie. Dat is naar het oordeel van de rechtbank fundamenteel anders dan de situatie waarin er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor opnieuw de behoefte en de draagkracht bepaald moeten worden. Het recht van de vrouw op partneralimentatie is naar Nederlands recht vastgesteld. Dat impliceert dat ook de Nederlandse wettelijke termijn van toepassing is op de duur van haar recht op alimentatie.
Einde alimentatieverplichting naar Slowaaks recht
Nu de rechtbank Nederlands recht toepast wordt het verzoek van de man, voor zover dat gegrond is op de inhoud van het Slowaakse recht, afgewezen.
Einde alimentatieverplichting naar Nederlands recht
Subsidiair verzoekt de man te verklaren voor recht dat de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw op basis van het Nederlandse recht is komen te vervallen. Ook naar Nederland recht is de alimentatieverplichting geëindigd, volgens de man. Volgens hem is de duur van deze verplichting vijf jaar, zoals is bepaald in artikel 1:157 lid 1 BW. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat de duur van deze alimentatieplicht wordt beheerst door
de nieuwe alimentatiewet (1 januari 2020) en niet, zoals de vrouw veronderstelt - op basis van de overgangswet - door de oude alimentatiewet. Partijen zijn bij het uiteengaan de volgende afspraak overeengekomen in een overeenkomst van 14 augustus 2012: de man zou aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in [land] een bijdrage voldoen van € 4.000,00 per maand. De man zou dit aan de vrouw voldoen gedurende een periode van 120 maanden vanaf de datum van vertrek van de vrouw naar [land]. Vervolgens hebben partijen op de zitting op 14 september 2020 nieuwe afspraken over de alimentatie gemaakt. Volgens de man moet deze afspraak worden gezien als een eerste afspraak, omdat de oude afspraak in feite als niet (meer) bestaand is beschouwd door partijen. De rechtbank zou (enkel nog) oordelen - op basis van de door partijen aangedragen argumenten over draagkracht en behoefte - over de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage. Hiermee trok de vrouw, volgens de man, haar verzoek in om per de datum van de ontbinding van het huwelijk de partneralimentatie in te laten gaan. Als ingangsdatum is vervolgens de datum van de beschikking gehanteerd.
De vrouw stelt - samengevat - dat het oude recht van toepassing is gebleven. Het verzoek ten aanzien van de partneralimentatie is vóór 1 januari 2020 ingediend, zodat er een alimentatietermijn is van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Van een intrekking van haar verzoek is geen sprake.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding van partijen met partneralimentatie als nevenvoorziening is destijds bij de rechtbank Den Haag ingediend op 13 november 2015, dus vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening partneralimentatie. Vervolgens is door de rechtbank in deze procedure een bedrag aan partneralimentatie vastgesteld. Het oorspronkelijke verzoek van de vrouw is niet ingetrokken. Partijen hebben enkel tijdens de schorsing van de zitting op 14 september 2020 een ingangsdatum afgesproken. De rechtbank heeft vervolgens beslist op het verzoek van de vrouw, zoals door haar ingediend op 13 november 2015. Op grond van het overgangsrecht blijft artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dit artikel luidde voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de nieuwe wet (1 januari 2020), van toepassing op een uitkering tot levensonderhoud, die voor dat tijdstip door de rechter is vastgesteld of tussen partijen is overeengekomen. Volgens lid 4 eindigt de verplichting tot levensonderhoud na echtscheiding van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren. Dit betekent dat de partneralimentatieplicht van de man jegens de vrouw niet is komen te vervallen, zodat het verzoek van de man wordt afgewezen.
Beroep van de man op artikel 1:401 lid 4 BW: nimmer voldaan aan wettelijke maatstaven
De man heeft naar voren gebracht dat er niet naar zijn draagkracht is gekeken bij de beschikking van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van 3 december 2020, en bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 3 augustus 2022. Volgens de man heeft de rechterlijke uitspraak daardoor nimmer aan de wettelijke maatstaven voldaan.
De vrouw heeft op de zitting verweer gevoerd. Zij stelt dat de door de man aangevoerde gronden niet met zich mee brengen dat de rechterlijke uitspraak betreffende de alimentatie niet zou hebben voldaan aan de wettelijke maatstaven. De man voert, volgens de vrouw, enkel huidige omstandigheden aan en geen omstandigheden uit het verleden.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft in de eerdere procedures geen financiële gegevens overgelegd, omdat hij daar principiële bezwaren tegen had. Dat betekent dat de rechtbank en het hof destijds terecht de draagkracht van de man niet hebben beoordeeld, omdat dit simpelweg niet mogelijk was door de eigen keuze van de man. Dat de man er nu alsnog voor kiest om (beperkte) recente financiële gegevens over te leggen maakt dat niet anders.
Beroep van de man op artikel 1:401 lid 1 BW: wijziging van omstandigheden
Meer subsidiair stelt de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, lid 1 BW, die maakt dat de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld per 26 april 2025. Volgens de man is er sprake van een wijziging in de financiële situatie van de vrouw en die van hem. Concreet voert de man – samengevat – het volgende aan.Ten eerste stelt de man dat er sprake is van een wijziging in het vermogen waarover de vrouw beschikt en als inkomstenbron gebruikt. Dit ziet op rendement, dan wel de verkoopopbrengst, van het stuk grond dat in de eerdere alimentatieprocedure ter vaststelling van de behoefte van de vrouw besproken is.
Ten tweede stelt hij dat de vrouw op [datum 3] 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en per die datum pensioen ontvangt. De man gaat ervan uit dat zij geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft volgens de man nagelaten hem hierover te informeren, terwijl zij dat wel had moeten doen en de man haar hierover op 24 juli 2025 per aangetekende brief heeft aangeschreven.
Ten derde stelt de man dat er sprake is van een wijziging in zijn eigen verdiencapaciteit wegens zijn veranderde gezondheidstoestand en het bereiken van de AOW-leeftijd op [datum 2] 2025. Volgens de man dient voor het jaar 2026 (en verder) uit te worden gegaan van een resultaat uit onderneming van € 40.000,00 als een in redelijkheid te genereren winst uit onderneming.
De vrouw stelt – samengevat – dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de partneralimentatie op nihil gesteld moet worden per 26 april 2025.
Ten eerste heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij het genoemde stuk grond in 2022 heeft verkocht. Het buitenhuis in [plaats], dat buiten de huwelijksgemeenschap viel, krijgt zij niet verkocht zodat het vermogen vast zit in stenen.
Ten tweede heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij per [datum 3] 2025 AOW ontvangt. De vrouw betwist dat zij niet langer behoefte zou hebben aan een bijdrage van de man. Zij kan met haar pensioen en AOW niet volledig in haar levensonderhoud voorzien. De vrouw ontvangt de volgende bedragen: € 1.325,- in Nederland en € 185,- in [land]. Netto is dit respectievelijk € 1.244,- en € 184,-, in totaal € 1.428, - per maand. De vrouw acht het redelijk dat zij met dit deel in haar eigen behoefte kan voorzien, waardoor de bijdrage van de man aan de vrouw met dit bedrag kan worden verlaagd. Dit is ook het bedrag dat de deurwaarder vanaf juni 2026 namens haar incasseert bij de man. De vrouw stelt dat zij de brief van de man in juli 2025 niet heeft ontvangen en zich niet heeft gerealiseerd dat het ontvangen van AOW reden was om te komen tot een wijziging.
Ten derde heeft de vrouw naar voren gebracht dat het gebrek aan stukken van de zijde van de man maakt dat de stellingen van de man wat betreft zijn winst, de gestelde schulden en verslechterde gezondheid niet te controleren zijn.
De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van het vermogen van de vrouw geen sprake is van een dergelijke relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Uit de beschikking van de rechtbank van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van 3 december 2020 en bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 3 augustus 2022, blijkt dat het vermogen van de vrouw waar de man op doelt destijds al aanwezig was en dat dit vermogen is meegenomen in het oordeel van de rechtbank. Ook tijdens die procedure heeft de man aangevoerd dat hij verwachtte dat de vrouw op haar vermogen inteerde. Daaraan is de rechtbank voorbij gegaan en de man is daarvan in hoger beroep te gaan. Vervolgens heeft het hof de eerdere beschikking bekrachtigd. De man heeft nog verwezen naar de eerdere zittingsaantekeningen waaruit blijkt dat de vrouw tijdens de zitting heeft gezegd dat het stuk grond dat zij destijds in eigendom had wellicht nodig zou zijn om in haar oude dag te kunnen voorzien. Aan deze woorden kan niet de conclusie worden verbonden dat de vrouw, nu zij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geen behoefte meer heeft aan partneralimentatie. Zij kan daarmee evengoed bedoeld hebben dat zij dit vermogen nodig zou hebben voor de periode nadat de termijn waarover zij partneralimentatie zou ontvangen, zou zijn verstreken. Dat de vrouw het stuk grond verkocht heeft, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Vaststaat dat er in ieder geval wel sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 26 oktober 2020, hersteld bij beschikking van 3 december 2020, nu de vrouw op [datum 3] 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in dit verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre, en met ingang van welke datum deze wijziging leidt tot een wijziging van de eerder vastgestelde partneralimentatie.
Ingangsdatum Volgens de man moet de partneralimentatie worden gewijzigd met ingang van [datum 3] 2025, de datum waarop de vrouw de AOW-leeftijd heeft bereikt. Dit omdat de vrouw er vanaf die datum rekening mee kon houden dat haar inkomenspositie zou wijzigen. Zij is daarop is gewezen door de rechter tijdens de mondelinge behandeling op 14 september 2020.
De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat dit ter sprake is geweest tijdens de zitting in september 2020 er nog niet toe leidt dat de vrouw uit eigen beweging rekening had moeten houden met een verlaging van de partneralimentatie. Op 24 juli 2025 heeft de man hierover een aangetekende brief gezonden aan de vrouw. De vrouw zegt zich niet te kunnen herinneren dat ze deze brief heeft ontvangen. Ook voert zij aan dat deze brief niet tot overleg tussen partijen en/of een reactie van de vrouw heeft geleid. Daarmee heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken dat ze de brief heeft ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw enkele dagen na het aangetekend verzenden van de brief door de man van de inhoud op de hoogte was en op de hoogte was dat die AOW-uitkering een verlaging van de alimentatie tot gevolg heeft. Om die reden bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wijziging van de partneralimentatie op 1 augustus 2025.
Wijziging Doordat de vrouw de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt is haar behoefte structureel en substantieel lager. De vrouw ontvangt per [datum 3] 2025 AOW van € 1.325,- in Nederland en van € 185,- in Slowakije. Netto is dit respectievelijk € 1.244,- en € 184,- en totaal € 1.428, -. De behoefte van de vrouw was in 2020 netto € 3.923, - per maand. In 2025 bedroeg de geïndexeerde behoefte van de vrouw € 4.815,30 netto per maand. Dit betekent dat de vrouw in 2025 een netto resterende behoefte heeft van € 4.815,30 netto - € 1.428, -, dat is € 3.387,30 netto per maand.
De man heeft inmiddels op [datum 2] 2025 zelf de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Ook dit is een gewijzigde omstandigheid, zodat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling of, en zo ja, in hoeverre deze wijziging leidt tot een wijziging van de vastgestelde partneralimentatie. In eerste instantie heeft de man ook na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd doorgewerkt zoals hij daarvoor ook deed. De man stelt dat hem dit sinds kort niet langer lukt. Daarbij heeft hij verwezen naar een verklaring van zijn huisarts van 4 juni 2026. In die verklaring staat enkel vermeld dat de man bekend is met de volgende diagnose bij de cardioloog: ‘in verband met verkalkingen in de coronairen, CT calciumscore 284’. Daarnaast heeft de man een verslag ingediend van de cardioloog van 19 juni 2025 waarin staat vermeld: ‘verdenking dyspnoe en angina pectoris op basis van coronairlijden Cave aantasting aortaklep, gezien kalkbrok ter plaatse op CT’. Tevens staat er dat hij naar de tweede lijn wordt doorverwezen ter verdere analyse. De man heeft geen recente informatie gestuurd van zijn huidige medische situatie. Ook is niet gebleken of er arbeidsbeperkingen zijn en zo ja, wat dit betekent voor zijn verdiencapaciteit. De man heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. De stukken van zijn boekhouder en prognose over 2026 kunnen evenmin dienen als bewijs dat zijn verdiencapaciteit is verslechterd. De boekhouder rekent immers op basis van door de man aangeleverde stukken. De rechtbank gaat er daarom bij de beoordeling van uit dat de man hetzelfde inkomen blijft genereren. Bovendien heeft de vrouw gesteld dat er ook aan zijn kant sprake is van vermogen. Daarvan heeft de man geen enkel inzicht gegeven. Ook heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij, zoals hij stelt, schulden heeft. De man heeft al met al niet heeft aangetoond dat er sprake is van een wijziging in zijn draagkracht.
Conclusie Op grond van al het voorgaande zal de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 3 augustus 2022, waarbij de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2020, hersteld per beschikking van 3 december 2020, is bekrachtigd – de door de man met ingang van 1 augustus 2025 aan de vrouw te betalen partneralimentatie wijzigen naar € 3.387,30 per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt dit € 3.608,80.
Terugbetaling en wettelijke rente
Omdat de alimentatieplicht van de man per 1 augustus 2025 wijzigt, is het door de man vanaf die datum aan de vrouw te veel betaalde partneralimentatie onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit een terugbetalingsverplichting voort. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen een eventuele vaststelling van een gewijzigde partneralimentatie met terugwerkende kracht vanwege het consumptieve karakter. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu de vrouw naast partneralimentatie ook een andere inkomstenbron had en heeft, namelijk haar vermogen. Dit oordeel houdt concreet in dat de vrouw aan de man moet terug betalen het door hem te veel betaalde over de maanden augustus 2025 tot juni 2026 nu de vrouw met ingang van juni 2026 al een lagere bijdrage heeft geïnd.
De rechtbank zal het verzoek van de man om toekenning van wettelijke rente afwijzen, omdat er geen sprake is van verzuim nu de man bij de aanmaning geen datum heeft genoemd.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 3 augustus 2022 waarbij de beschikking van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2020, hersteld per beschikking van 3 december 2020, is bekrachtigd - :
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 augustus 2025 te betalen partneralimentatie op € 3.387,30 per maand en per 1 januari 2026 op € 3.608,80 per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de te veel ontvangen alimentatie in de periode 1 augustus 2025 tot 1 juni 2026;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.