Gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie
Beschikking op het op 1 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.E. van der Leij te ’s-Gravenhage, voorheen: mr. K. van Doorn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Odink te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De vader heeft een voorlopige voorziening ex 223 Rv verzocht in het kader van de kinderalimentatie. Dit verzoek is door deze rechtbank bij beschikking van 19 september 2025 afgewezen.
Op 18 juni 2026 is de bodemzaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
De vader heeft in de bodemprocedure verzocht:
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders vast te stellen, in die zin dat de minderjarige contact heeft met de moeder als hij daar behoefte aan heeft, althans een zorg- en contactregeling als de rechtbank juist acht;
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vast te stellen bij de vader;
- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 september 2011 in die zin te wijzigen dat met ingang van 1 mei 2025 de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] wordt bepaald op nihil en te bepalen dat de kinderalimentatie die de moeder vanaf 1 mei 2025 heeft ontvangen, begroot op € 1.761,66, binnen één week na uw beschikking wordt terugbetaald aan de vader, althans een zodanig bedrag, ingangsdatum en terugbetalingsverplichting als de rechtbank juist acht;
- te bepalen dat de moeder, binnen twee weken na de beschikking, aan de vader dient te voldoen de kinderbijslag voor [minderjarige] die de moeder vanaf 1 mei 2025 heeft ontvangen, begroot op € 550,42, en nog gaat ontvangen totdat de vader de kinderbijslag rechtstreeks van de Sociale Verzekeringsbank ontvangt en bij niet-ontvankelijkheid of afwijzing van dit verzoek voor recht te verklaren dat de vader over de periode vanaf 1 mei 2025 recht heeft op de door de moeder (te) ontvangen kinderbijslag voor [minderjarige], althans een bedrag en regeling in uw goede justitie te bepalen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].
- De minderjarige staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) bij de moeder.
- [minderjarige] verblijft sinds 1 mei 2025 bij de vader.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
- Bij beschikking van 27 september 2011 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader met ingang van 8 april 2011 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet betalen van € 416,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2012 is, voor zover hier van belang, voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- de andere week van donderdag uit school tot zaterdag 12:00 uur, waarbij de moeder de minderjarige bij de vader ophaalt;
daarnaast is een vakantieregeling bepaald.
- Blijkens het proces-verbaal van deze rechtbank van de behandeling in kort geding op 1 augustus 2019 zijn, voor zover hier van belang, partijen overeengekomen dat in afwijking van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 3 december 2012 van deze rechtbank, [minderjarige] en de vader elkaar voorlopig zien op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur. Bij deze contacten zal de zus van de vader aanwezig zijn. De vader en de zus zullen [minderjarige] ophalen bij de moeder en afloop van het contact weer thuisbrengen, waarbij onder regie van het CJG bekeken wordt hoe de voorlopige regeling kan worden uitgebouwd tot de oorspronkelijke regeling zoals vastgesteld bij beschikking van 3 december 2012.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2019 is, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige], in afwijking van de oorspronkelijke zorgregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 3 december 2012 van deze rechtbank, na 8 november 2019 bij de vader zal zijn conform de oorspronkelijke regeling waarbij een opbouwregeling is gehanteerd.
Beoordeling
Hoofdverblijfplaats
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen. Hij wenst dat [minderjarige] op zijn adres wordt ingeschreven, omdat hij daar sinds 1 mei 2025 verblijft. [minderjarige] heeft via Whatsapp incidenteel contact met zijn moeder. Nu de vader hoofdzakelijk de zorg voor [minderjarige] draagt vindt hij het in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofverblijfplaats bij hem wordt bepaald. De vader vindt het noodzakelijk om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Op dit moment ontvangt de vader geen kindgebonden toeslagen voor [minderjarige], omdat [minderjarige] bij zijn moeder staat ingeschreven. De vader draagt nu alle kosten voor hem. Ook om die reden vindt de vader het redelijk dat hij [minderjarige] bij hem in kan schrijven en toeslagen aan kan vragen.
De moeder stelt dat de wens van [minderjarige] om bij zijn vader te willen wonen er in gelegen is dat de vader beperkte financiële middelen zou hebben en moeite had om de kinderalimentatie te voldoen. Zij vreest dat hij wordt gedwongen door zijn vader. Sinds 4 mei 2024 verblijft [minderjarige] niet meer bij de moeder. Hij is sindsdien woonachtig bij zijn vriendin in [plaats] en niet bij zijn vader. De moeder zet zich ten volle in om het contact met [minderjarige] in stand te houden. [minderjarige] heeft de moeder niet verteld waarom hij niet meer bij haar zou willen wonen. Zij vindt het belangrijk dat er naar de wens van [minderjarige] wordt geluisterd. Zij heeft het vermoeden dat het niet zijn intrinsieke wens is dat zijn hoofdverblijfplaats wordt gewijzigd naar de vader. Met die reden dient het verzoek van de vader, volgens de moeder, afgewezen te worden.
Op basis van de stukken en op de zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige] vanaf ongeveer mei 2025 bij de vader verblijft en niet meer bij zijn moeder. Kennelijk heeft [minderjarige] dit toen zelf besloten. Tussen de ouders is hierover niet gecommuniceerd. De moeder heeft op de zitting naar voren gebracht dat het haar niet duidelijk was dat dit een definitieve situatie was. Zij ging ervan uit dat [minderjarige] op enig moment naar haar terug zou keren. Op 16 juli 2025 heeft de advocaat van de vader een brief gestuurd aan de moeder en is het voorstel is gedaan om het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen naar de vader.. Vanaf dat moment was het de moeder duidelijk dat [minderjarige] bij zijn vader wilde blijven wonen. Vanaf 1 augustus 2025 heeft de vader vervolgens geen kinderalimentatie meer voldaan aan de moeder.
De rechtbank is van oordeel dat er pas vanaf 1 augustus 2025 sprake is van een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige]. Voor die tijd heeft [minderjarige] zelf immers geen duidelijkheid gegeven over waar hij wilde of ging wonen. Ook heeft er voor die tijd geen communicatie of overleg plaatsgevonden tussen de ouders. In de periode tot 1 augustus 2025 was de hele situatie dus onduidelijk en had ook zo kunnen zijn dat [minderjarige] na een tijdje weer terug zou keren bij zijn moeder. Pas vanaf 1 augustus 2025 was het moeder helder dat [minderjarige] niet meer zou terugkeren. De rechtbank zal daarom per 1 augustus 2025 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wijzigen naar de vader.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechtbank constateert dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu [minderjarige] per 1 mei 2025 bij vader verblijft. Dit betekent dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt een wijziging van de zorgregeling. Volgens hem is er sprake van een wijziging in omstandigheden nu [minderjarige] volledig bij hem verblijft. De vader vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij contact kan hebben met zijn moeder op eigen initiatief en zich daarin vrij kan voelen. Om die reden vindt de vader het wenselijk dat [minderjarige] zelf mag bepalen wanneer en in welke mate hij contact met heeft met de moeder. Volgens de vader past het niet om een strak omlijnde zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] verplicht zou worden op vaste dagen en tijden contact met de moeder te hebben.
De moeder heeft op de zitting verteld dat zij niet weet waarom [minderjarige] geen contact meer met haar wil. Enkel op verjaardagen of op Moederdag heeft ze nog wat van hem gehoord. Zij hoopt dat [minderjarige] op enig moment weer contact met haar op zal nemen. Er is wel nog contact met oma moederszijde.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder minimaal is geworden. Dat is erg verdrietig. Gezien de leeftijd van [minderjarige] vindt de rechtbank het echter niet zinvol om aan te dringen op een vaste zorg- of contactregeling. Zij zal daarom het verzoek van de vader toewijzen. De moeder heeft aangegeven dat de deur voor hem altijd open staat.
Wijziging kinderalimentatie
Juridisch kader
Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401, eerste lid, BW bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Het is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] sinds mei 2025 bij de vader verblijft, zodat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader zal daarom ontvangen worden in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt de door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] per 1 mei 2025 op nihil te bepalen. De vader geeft aan dat hij per die datum feitelijk alle lasten voor [minderjarige] voldoet. Hij heeft tot en met juli 2025 de maandelijkse kinderalimentatie aan de moeder voldaan. Per augustus 2025 is hij daarmee gestopt. Het is de vader niet gelukt om hierover tot een afspraak te komen met de moeder. De vader vindt het redelijk dat de door hem aan de moeder betaalde kinderalimentatie in de periode van 1 mei tot en met 31 juli 2025 door haar wordt terugbetaald. In die periode droeg de vader al alle kosten voor [minderjarige].
De moeder betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Volgens haar woonde [minderjarige] in eerste instantie niet bij de vader, maar bij zijn vriendin. Indien [minderjarige] wel bij de vader woont en daar wil blijven wonen, dan is er wel sprake van een wijziging van omstandigheden volgens de moeder. In dat geval refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. De moeder heeft in dit kader nog naar voren gebracht dat zij een bijstandsuitkering ontvangt en dat de door de vader betaalde kinderalimentatie door de gemeente is ingehouden op haar bijstandsuitkering. Dit had invloed op haar vakantietoeslag, omdat deze werd berekend over de uitkering die zij per maand ontving.
Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank de hoofverblijfplaats van [minderjarige] per 1 augustus 2025 wijzigen naar de vader. Daaruit vloeit voort dat de kinderalimentatie per deze datum, 1 augustus 2025, op nihil zal worden gesteld. Nu de man per 1 augustus 2025 is gestopt met het betalen van de kinderalimentatie voor [minderjarige] aan de vrouw, is een terugbetaling van te veel betaalde alimentatie niet aan de orde.
Kinderbijslag
De vader legt het volgende ten grondslag aan zijn verzoek ter zake de kinderbijslag. Hoewel [minderjarige] sinds 1 mei 2025 bij hem woont, ontvangt hij geen kinderbijslag voor hem. De moeder heeft sindsdien nog steeds kinderbijslag ontvangen maar zij heeft dit niet aan [minderjarige] besteed. De vader vindt daarom dat de moeder de in deze periode ontvangen kinderbijslag aan de vader terugbetalen. De vader begroot zijn vordering op de moeder over de maanden mei en juli 2025 op € 136,40 per maand. Vanaf juli 2025 stijgt de kinderbijslag naar 416,41 per kwartaal. Op basis hiervan begroot de vader zijn vordering op de moeder vanaf voor de maanden vanaf juli 2025 op € 138,81 per maand. De vader verzoekt te bepalen dat de moeder de door haar ontvangen kinderbijslag over de periode vanaf mei 2025 totdat de vader de kinderbijslag van de Sociale Verzekeringsbank krijgt overgemaakt, aan de vader betaalt.
De moeder voert verweer. De juridische grondslag van de vordering van de vader op de moeder zou gelegen moeten zijn in ongerechtvaardigde verrijking. Hiervan is volgens de moeder geen sprake. [minderjarige] is nog altijd ingeschreven op het adres van de moeder. De moeder maakt nog altijd kosten voor [minderjarige], zoals de betaling van de gemeentelijke belastingen – zij is immers aangemerkt als een huishouden van twee personen – en zijn telefoonabonnement. Tot slot is de moeder niet in staat om aan een eventuele terugbetalingsverplichting te voldoen gezien haar beperkte draagkracht.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kinderbijslag is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van een kind en behoort naar zijn aard in beginsel voor het volle bedrag aan het kind ten goede te komen. Het uitgangspunt is dan ook dat de ouder die de zorg voor het kind heeft en de verblijf overstijgende kosten betaalt, de kinderbijslag behoort te ontvangen. De rechtbank wijzigt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] per 1 augustus 2025. Vanaf dat moment was het duidelijk dat [minderjarige] niet terug zou keren naar de moeder. De moeder heeft – onbetwist – gesteld dat zij ook na 1 augustus 2025 kosten voor [minderjarige] is blijven voldoen, waaronder zijn telefoonkosten en gemeentelijke belastingen voor een tweepersoonshuishouden. Om die reden en vanwege het feit dat de moeder een bijstandsuitkering ontvangt ziet de rechtbank geen grond om enige terugbetalingsverplichting op te leggen aan de moeder, zodat het verzoek van de vader wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 27 september 2011 van deze rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie en de beschikking d.d. 31 oktober 2019 van deze rechtbank ten aanzien van de zorgregeling– :
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], met ingang van 1 augustus 2025 de hoofdverblijfplaats heeft bij de vader;
*
bepaalt dat [minderjarige] contact heeft met de moeder als hij daar behoefte aan heeft;
*
bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] met ingang van 1 augustus 2025 op nihil;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.