[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsaroep te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner te Den Haag.
Procedure
in de bodemprocedure:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
bij wijze van voorlopige voorziening:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie afgesplitst en geregistreerd met het kenmerk C/09/707370 FA RK 26-6126.
Op 24 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
in de bodemprocedure
De vader verzoekt:
school;
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de moeder zelfstandig de vader te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder de door de moeder aan haar advocaat te betalen eigen bijdrage en het griffierecht, een ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
bij wijze van voorlopige voorziening
De vader verzoekt vaststelling van een voorlopige zorgregeling c.q. omgangsregeling, waarbij de vader en [minderjarige] elkaar elke zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur zien en waarbij de moeder [minderjarige] om 10:00 uur afzet bij de vader en de vader [minderjarige] om 16:00 uur terugbrengt naar de moeder, op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer per dag,voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Bodemprocedure
Standpunt vader
De vader voert aan dat hij een grotere rol wil vervullen in het leven van [minderjarige] en dat hij betrokken wil zijn bij haar opvoeding en haar verzorging. Deze betrokkenheid wordt volgens de vader belemmerd door de weigering van de moeder om in te stemmen met gezamenlijk gezag. De vader is van mening dat hij samen met de moeder belast kan worden met het gezag, nu in elk geval minimale onderlinge communicatie tussen de ouders mogelijk is. De vader weet dat hij in het verleden op een onaangename manier heeft gecommuniceerd, maar dat is nu niet meer aan de orde.
Wat betreft de omgangsregeling heeft de vader het volgende naar voren gebracht. De vader verzoekt om uitbreiding van de omgangsregeling. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder hem onvoldoende betrekt bij de invulling van de omgang. In de praktijk bepaalt de moeder wanneer en in welke omvang contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt, waardoor een eventuele uitbreiding van het contact wordt belemmerd. De huidige omgang is volgens de vader te beperkt van duur en onvoldoende om een betekenisvolle band met [minderjarige] op te bouwen. Volgens de vader verlopen de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] goed en [minderjarige] heeft aangegeven dat zij langer bij hem wil verblijven. De vader geeft verder aan dat hij zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Daarnaast kan hij [minderjarige] ontvangen in zijn eengezinswoning.
Standpunt moeder
Hoewel de moeder begrijpt dat de vader betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige], stelt de moeder zich op het standpunt dat gezamenlijk gezag niet in het belang is van [minderjarige]. De moeder heeft geen volledig inzicht in de huidige situatie van de vader en haar vertrouwen in de vader ontbreekt, mede gelet op gebeurtenissen in het verleden. Hieronder vallen de bedreigingen en mishandelingen door de vader jegens haar, alsmede problematiek rondom alcohol- en drugsgebruik aan de zijde van de vader. De moeder vreest voor escalatie, tegenwerking en verdere psychische belasting wanneer de vader wordt belast met het gezamenlijk gezag. Daarnaast is de moeder altijd de primaire verzorgende ouder van [minderjarige] geweest en zij maakt zich zorgen over de verschillen van inzicht tussen de ouders over de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Volgens de moeder zijn de ouders nu niet in staat om op een zodanige manier met elkaar te communiceren en samen te werken, als voor de uitoefening van gezamenlijk gezag vereist is. De moeder vindt de communicatie vanuit de vader respectloos, verwijtend en onnodig informeel, waardoor een constructieve samenwerking wordt bemoeilijkt.
Wat betreft de omgangsregeling voert de moeder het volgende aan. De vader is gedurende een langere periode niet aanwezig geweest in het leven van [minderjarige], hetgeen volgens haar verband houdt met zijn eerdere drugs- en alcoholproblematiek. Sinds medio 2025 is het contact tussen de vader en [minderjarige] opnieuw tot stand gekomen, op initiatief van de moeder. Op dit moment vindt er elke zaterdag omgang plaats tussen de vader en [minderjarige]. De moeder stelt echter dat de vader zich niet altijd houdt aan de gemaakte afspraken en dat hij regelmatig eenzijdige wijzigingen aanbrengt in de tijdstippen en de locaties van de omgang. Ook is steeds onduidelijk waar [minderjarige] moet worden opgehaald. Verder voert de moeder aan dat [minderjarige] nooit zelfstandig door de vader is verzorgd en dat [minderjarige] nooit bij hem heeft overnacht. Daarbij heeft [minderjarige] aangegeven dat zij dit ook niet wil. Verder stelt de moeder dat de vader en zijn huidige partner [minderjarige] onder meer belasten met negatieve uitlatingen over de moeder. Hierdoor bestaat het risico dat [minderjarige] een negatief beeld van de moeder krijgt. Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder het verzoek van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat het onderlinge vertrouwen – met name dat van de moeder in de vader – ernstig is beschadigd. Bij de overdracht van [minderjarige] vindt geen rechtstreeks contact tussen de ouders plaats en de onderlinge communicatie op WhatsApp leidt regelmatig tot spanningen. Op de zitting is daarom met de ouders gesproken over ouderschapsbemiddeling en mediation, ter verbetering van de communicatie en hun onderlinge verstandhouding. Beide ouders hebben op de zitting hiertoe hun bereidheid uitgesproken.
De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Daarnaast heeft de rechtbank de ouders doorverwezen naar mediation, zodat de ouders binnenkort al afspraken kunnen maken over de omgang, de onderlinge communicatie en de wijze waarop zij het (toekomstig) ouderschap willen vormgeven. Daarnaast kan tijdens het mediationtraject ook gekeken worden naar uitbreiding van de huidige omgangsregeling (in de toekomst).
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het mediationtraject en het traject ouderschapsbemiddeling. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie van het ouderschapsbemiddelingstraject verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
In afwachting van het verloop van beide trajecten zal de rechtbank de beslissing met betrekking tot het gezag en de omgangsregeling c.q. zorgregeling, waaronder de verdeling van de feest- en vakantiedagen, pro forma aanhouden tot na te melden datum.
De rechtbank zal, in afwachting van het mediationtraject en het ouderschapsbemiddelingstraject, een voorlopige omgangsregeling vaststellen, zoals tijdens de zitting is afgesproken, inhoudende dat [minderjarige] elke zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij de vader is, waarbij de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige] bij de moeder.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de beslissing omtrent de proceskosten ook aanhouden.
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
De rechtbank neemt in de bodemprocedure een beslissing over dezelfde verzoeken als de verzoeken uit de voorlopige voorzieningenprocedure. De vader heeft daarom geen belang meer bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank zal die verzoeken dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank –– :
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/703584 / FA RK 26-3891 (art. 223 Rv):
*wijst de verzoeken van de vader af;
in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/695883 / FA RK 25-9311 (bodemprocedure):
*stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan;
*verwijst de ouders naar een mediator om te trachten hun geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], voorlopig elke zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij de vader is, waarbij de vader verantwoordelijk is voor het halen en het brengen van [minderjarige];
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de omgangsregeling c.q. zorgregeling en de proceskosten aan tot 16 januari 2027 pro forma;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.