ECLI:NL:RBDHA:2026:22929

ECLI:NL:RBDHA:2026:22929

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 16-08-2026
Zaaknummer C/09/703288 / FA RK 26-3703
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijzing wijziging voorlopige voorziening

Uitspraak

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 14 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J. Todorov te Maasdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 2 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2019 in [plaats 1].

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats].

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.

- De kinderen verblijven bij de vrouw.

- De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat onder zaak- en rekestnummer C/09/693012 / FA RK 25/7758 in behandeling is.

- Op 10 oktober 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover hier van belang – inhoudende:

- als voorlopige zorgregeling geldt: de kinderen zijn in de ene week van maandag na school tot woensdagochtend, en in de andere week van vrijdag na school tot woensdagochtend bij de man;

- bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] in [plaats 2]:

- voor zes maanden na datum beschikking gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn;

- vanaf zes maanden na datum beschikking, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- bepaald dat de man bij uitsluitend gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] in [plaats 2] voor zes maanden na datum beschikking gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn;

- bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 augustus 2025, voorlopig een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 579,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 23 december 2025 zijn de verzoeken van beide partijen om de voorlopige voorzieningen te wijzigen, waaronder het zelfstandige verzoek van de man tot wijziging van de in de beschikking van 10 oktober 2025 met kenmerk C/09/690308 gewezen kinderalimentatie, afgewezen.

- Bij vonnis in kort geding van 26 februari 2026 zijn de vorderingen van de man om inzage te krijgen in de bankafschriften van de vrouw van de betaalrekening, alsmede vier spaarrekeningen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met heden, alsmede de loonstroken van het jaar 2025 afgewezen en is hij veroordeeld in de proceskosten.

Verzoek en verweer

De man verzoekt:

te bepalen dat ten aanzien van de onderhoudsbijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding in de beschikking d.d. 10 oktober 2025 met kenmerk C/09/690308 van onjuiste gegevens is uitgegaan, de beschikking te wijzigen en te bepalen dat de man een onderhoudsbijdrage van € 83,-- voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, maandelijks aan de vrouw, bij vooruitbetaling, dient te voldoen, met terugwerkende kracht, met ingang van 19 augustus 2025, hetgeen vanaf 1 januari 2026 is geïndexeerd op € 86,82;

te bepalen dat de vrouw het onverschuldigde bedrag aan kinderalimentatie van € 8.124,13 aan de man dient te voldoen;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

primair:

I. de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoeken, nu niet is voldaan aan de drempel voor wijziging van voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv, bij gebrek aan een relevante en voldoende onderbouwde wijziging van omstandigheden die onmiddellijke rechterlijke tussenkomst noodzakelijk maakt;

subsidiair:

de verzoeken van de man worden afgewezen, nu geen grond bestaat voor verlaging van de kinderalimentatie en de verzoeken in strijd zijn met de goede procesorde;

meer subsidiair:

de bestaande alimentatieregeling — te weten een kinderalimentatie van € 579,-- per maand per kind geïndexeerd naar heden € 605,63— ongewijzigd wordt gehandhaafd;

in alle gevallen:

II. de man wordt veroordeeld in de proceskosten van deze.

De man voert mondeling verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat een door de rechtbank op grond artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven beschikking, inhoudende een voorlopige voorziening, op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan worden gewijzigd indien de omstandigheden na die beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Niet iedere wijziging van omstandigheden zal dus tot wijziging van de beschikking kunnen leiden. Alleen in evidente, zeer sprekende gevallen, is een wijziging gerechtvaardigd. Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank de stellingen van partijen beoordelen. Zou dit anders zijn dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn.

De man heeft aan zijn verzoeken het volgende ten grondslag gelegd. De man meent dat er in de beschikking van 10 oktober 2025 van onjuiste gegevens is uitgegaan, op grond waarvan een wijziging gerechtvaardigd is. Daar komt bij dat per 10 april 2026 de birdnestregeling is vervallen, waardoor er eveneens een wijziging van omstandigheden is, volgens de man.

De vrouw heeft aangevoerd dat niet voldaan is aan de criteria zoals vermeld in artikel 824 lid 2 Rv. De vrouw heeft gesteld dat voor zover de man zijn verzoek heeft gebaseerd op de wijzigingsgrond ‘onjuiste en onvolledige gegevens’, daarvan geen sprake nu er een gestabiliseerde situatie is, het voor wat betreft de aangevoerde argumenten een herhaling van zetten betreft en de hoge drempel niet is gehaald. Daarnaast heeft de vrouw naar voren gebracht dat er geen relevante wijziging van omstandigheden is, althans dat de man die wijzigingsgrond onvoldoende heeft aangetoond. Tot slot ontbreekt volgens de vrouw het spoedeisend belang.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 824, lid 2 Rv kan wijziging worden verzocht van een door de rechtbank gegeven beschikking houdende voorlopige voorzieningen. Ingevolge artikel 826 Rv verliezen voorlopige voorzieningen hun kracht op het moment van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. Zolang daarvan geen sprake is kan derhalve belang bestaan bij de wijziging van een eerder gegeven beschikking houdende voorlopige voorzieningen. Of voldaan is aan de een van de gronden voor wijziging zoals genoemd in artikel 824, lid 2 Rv vergt een beoordeling van het verzoek. De rechtbank zal de man derhalve ontvangen in zijn verzoek.

Beoordeling verzoek

De rechtbank overweegt als volgt. De stelling van de man, dat er in de eerdere beschikking van onjuiste gegevens is uitgegaan, is al eerder, te weten bij beschikking van 23 december 2025, beoordeeld door deze rechtbank. Ook het rapport van [advocatenkantoor], overgelegd als productie 8, heeft de man destijds ten grondslag gelegd aan zijn verzoek. De man heeft weliswaar nieuwe financiële gegevens in de procedure gebracht, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Ook in het geval de man geen dividend uitkeert is dat geen reden om te oordelen dat van onjuiste gegevens is uitgegaan. Daarnaast miskent de man de berekening van de kinderalimentatie, zoals door de rechtbank gemaakt. De rechtbank heeft wel degelijk een juiste berekening gemaakt en in de beschikking ook uitgelegd waarom er in dit geval geen rekening is gehouden met het kindgebonden budget: ‘De rechtbank zal geen rekening houden met het kindgebonden budget, omdat partijen nog op hetzelfde adres staan ingeschreven, waardoor zij nog fiscale partners zijn en het gezamenlijke inkomen voor de Belastingdienst maatgevend is’. Uit de stelling van de man dat de rechtbank opnieuw moet kijken naar de vastgestelde kinderalimentatie en zijn mededeling dat hij de juistheid van de alimentatieberekeningen betwist omdat van foutieve uitgangspunten is uitgegaan, leidt de rechtbank af dat de man in wezen verzoekt om een herbeoordeling. Daarvoor is in deze procedure geen ruimte.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden na het wijzen van de beschikking van 10 oktober 2025 niet in zodanige mate zijn gewijzigd of dat bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de getroffen voorlopige voorzieningen op dit moment niet in stand kunnen blijven. Het doel van deze procedure, namelijk het treffen van een ordemaatregel, brengt met zich dat geen plaats is voor een volledige herbeoordeling van de eerder door de rechtbank genomen beslissingen. De omstandigheid dat de birdnestregeling zou afgelopen op 10 april 2026 is voorzien en meegenomen in het oordeel van 10 oktober 2025. Weliswaar is er mogelijk in de situatie van partijen het een en ander veranderd, maar niet elke wijziging moet leiden tot een wijziging van de voorlopige voorziening. Er moet sprake zijn van een evident, zeer sprekend geval waarin wijziging van de eerder gegeven beschikking(en) gerechtvaardigd is. Dat is hier niet aan de orde. De man stelt weliswaar dat hij in de financiële problemen is gekomen, maar onderbouwt die stelling op geen enkele wijze. De man betaalt maandelijkse de kinderalimentatie. Kennelijk is hij daarnaast ook in staat om een (aangevraagde) arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenvoorziening/lijfrente te voldoen en een overeenkomst van inwoning en kostendeling te sluiten voor een hoog bedrag.

De rechtbank constateert dat de gehanteerde uitgangspunten, de gebruikte gegevens, de interpretatie daarvan en de methodiek van de berekening van de alimentatie, onderdeel zijn van het debat tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank is enkel uit de formulering van de verzoeken af te leiden dat geen sprake is van een evident, zeer sprekend geval waarin wijziging van de eerder gegeven beschikking(en) gerechtvaardigd is. Ter zitting is ook niet duidelijk geworden waarom daarvan wel sprake zou zijn. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen, zodat de rechtbank aan de beoordeling van enige terugbetaling door de vrouw van te veel ontvangen kinderalimentatie niet toekomt.

Proceskosten

De vrouw heeft aangevoerd dat zij door het procesgedrag van de man wordt geconfronteerd met aanzienlijke advocaatkosten. Het procesgedrag is, volgens de vrouw, in strijd met de goede procesorde en levert op zijn minst misbruik van het procesrecht op.

De man is van mening dat het verzoek om proceskostenveroordeling moet worden afgewezen. Er is sprake van financiële nood bij de man, zodat hij deze procedure is gestart. Er kan geen sprake kan zijn van een proceskostenveroordeling, omdat de procedure niet in strijd is met de goede procesorde

In verzoekschriftprocedures tussen ex-partners wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten doorgaans worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld indien kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van een van de partijen. Deze nodeloze kosten worden dan ten laste gebracht van de partij die deze heeft veroorzaakt. Hieronder vallen ook nodeloze kosten die zijn veroorzaakt doordat onnodig wordt geprocedeerd.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zo’n uitzonderlijk geval. Door beide partijen zijn procedures gestart. Dat is weliswaar ongelukkig, maar niet zonder meer nodeloos. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten dan ook af en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het door de man en het door de vrouw verzochte af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.L. Strop

Griffier

  • mr. S.J. te Boekhorst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand