Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 29 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.P. Lagerweij in Delft .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.W. Stok in Delft .
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verzoeken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 18 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw, na wijziging, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
waarbij de man het halen en het brengen van de kinderen voor zijn rekening zal nemen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid – ontbreken originele huwelijksakte en rechtsgeldigheid van het huwelijk
Partijen hebben geen gewaarmerkt en authentiek afschrift van de huwelijksakte, dat niet ouder is dan drie maanden, overgelegd zoals op grond van artikel 815 vijfde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt vereist. Omdat dit in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen in de verzoeken tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat voornoemd afschrift redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen recent afschrift van de huwelijksakte heeft overgelegd. De vrouw heeft de originele huwelijksakte, samen met een gelegaliseerde vertaling in de Engelse taal van 8 april 2018, ingediend. Uit de door de vrouw overgelegde kopie van de huwelijksakte blijkt dat partijen op [datum] 2012 in [plaats] (Irak) met elkaar zijn gehuwd. Naar Irakees recht komt een huwelijkscontract tot stand door aanbod en acceptatie in aanwezigheid van twee getuigen, zo volgt uit artikel 4 tot en met 6 ILPS. Het voltrokken huwelijk dient vervolgens te worden geregistreerd bij de bevoegde rechtbank, een Islamitische rechter of bij een rechter voor niet-Islamitische personen, artikel 10 ILPS.
Uit de vertaling van de huwelijksakte blijkt dat de huwelijksvoltrekking bij de rechtbank in Irak is geregistreerd. De rechtbank gaat er – gelet op de kopie van de huwelijksakte, de vertaling daarvan door een beëdigde vertaler en de burgerlijke staat die blijkt uit de BPR – vanuit dat het huwelijk in Irak is gesloten op de aldaar voorgeschreven wijze en dat dit huwelijk naar Irakees recht rechtsgeldig tot stand is gekomen.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
De rechtbank stelt vast dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid Rv dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid partijen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding niet ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).
De vrouw stelt dat er een concept ouderschapsplan is, maar dat de man op het laatste moment heeft besloten niet te willen tekenen. Namens de man is op de zitting toegelicht dat hij geen contact wil met de vrouw. In het ouderschapsplan zijn alinea’s over het contact tussen de ouders over de kinderen opgenomen en daarom wil hij het ouderschapsplan niet ondertekenen.
Naar het oordeel van de rechtbank is door partijen voldoende gemotiveerd dat het voor hen gedurende de procedure redelijkerwijs niet mogelijk is gebleken om een door beide partijen akkoord bevonden en ondertekend ouderschapsplan aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan deze processuele eis uit artikel 815 tweede lid Rv.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Eenhoofdig gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen ten aanzien van het eenhoofdig gezag.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:251a eerste lid BW kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel kan de rechter indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt als de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft op de zitting de rechtbank verzocht om ambtshalve een beslissing te nemen over het eenhoofdig gezag. Zij heeft dit formeel niet als nevenvoorziening verzocht in de echtscheidingsprocedure, maar geeft aan dat het niet mogelijk is om gezagsbeslissingen te nemen met de man omdat hij onbereikbaar is en elke vorm van communicatie weigert.
De man voert verweer. Hoewel er inderdaad geen communicatie is tussen partijen, staat dit volgens de man niet in de weg aan gezamenlijk gezag. De man staat immers geen gezagsbeslissingen in de weg en zal in de toekomst gewoon toestemming geven voor buitenlandse vakanties, aanvraag van paspoort en inschrijving op school.
De rechtbank voorziet mogelijk in de toekomst – gelet op de houding van de man – wel problemen voor het nemen van gezamenlijke gezagsbeslissingen over de kinderen. De man geeft aan niet te willen communiceren met de vrouw en hij is ook niet bereikbar voor haar. Momenteel verloopt de communicatie via de kinderen. De kans bestaat dat het onmogelijk blijkt voor de vrouw om gezagsbeslissingen te nemen over de kinderen. De rechtbank overweegt anderzijds dat uit artikel 1:251a lid vier BW volgt dat de rechtbank slechts ambtshalve het eenhoofdig gezag kan toewijzen als hiertoe een informeel verzoek van de kinderen zou liggen. Dit verzoekt ontbreekt in deze procedure en de situatie is ook niet besproken met de kinderen, nu zij niet zijn verschenen voor het kindgesprek. De rechtbank kan daarom geen ambtshalve beslissing nemen over het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de vrouw.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt een zorgregeling waarbij de kinderen iedere zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur bij de man zijn en vanaf het moment dat de man eigen woonruimte heeft om de week van zaterdag 10:00 uur tot zondag 16:00 uur, waarbij de man het halen en het brengen voor zijn rekening zal nemen. De man heeft op de zitting ingestemd met deze zorgregeling.
Ten aanzien van de zomervakantie verzoekt de vrouw, vanaf het moment dat de man een eigen woning heeft, dat de kinderen de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw zijn. In de overige vakanties loopt de reguliere zorgregeling door. De man is het eens met de verdeling van de zomervakantie en de overige vakanties maar hij wil de komende zomervakantie de kinderen al bij zich hebben. De man heeft weliswaar nog geen eigen woning maar heeft hij wel de mogelijkheid om met de kinderen op vakantie te gaan.
Gelet op de overeenstemming tussen partijen, zal de rechtbank de zorgregeling en verdeling van de vakanties vastleggen zoals verzocht door de vrouw. Ten aanzien van de zomervakantie zal de rechtbank bepalen dat dit ingaat zodra de man eigen woonruimte heeft. Mocht de man komende zomervakantie op vakantie willen met de kinderen dan kan hij dit overleggen met de vrouw.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De echtelijke woning is in Nederland gelegen. Op grond van artikel 4 lid 3 onder a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het door de vrouw gedane verzoek tot toekenning van het huurrecht van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, nu de man de woning heeft verlaten. De man heeft ingestemd met dit verzoek. De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft zij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Voor de bepaling welk verdrag dan wel verordening van toepassing is, moet worden gekeken naar de huwelijksdatum. Omdat het huwelijk is gesloten na 1 september 1992 en vóór 29 januari 2019 – namelijk op [datum] 2012 – is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van
14 maart 1978, Trb 1988, 130 (HVV 1978) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór (artikel 3 HVV 1978) of tijdens (artikel 6 HVV 1978) het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV 1978. Op grond van artikel 4 tweede lid onder 2 sub b HVV 1978 is Irakees recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, als het recht van het land van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting.
Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omgeschreven in artikel 7 tweede lid sub 3 HVV 1978. De vrouw staat volgens de basisregistratie personen (BRP) sinds
12 november 2001 ingeschreven in Nederland. De man heeft zich op 16 november 2018 in Nederland gevestigd waardoor vanaf die datum Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen. Dit betekent dat in de periode van [datum] 2012 tot 16 november 2018 Irakees recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat vanaf 16 november 2018 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvergmogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd.
Beoordeling naar Nederlands recht
Vanaf 16 november 2018 is het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Het Nederlands recht kende toen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de beperkte gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de beperkte gemeenschap voor de helft moet dragen.
Partijen hebben op de zitting bevestigd dat de vermogensbestanddelen van partijen verkregen zijn na 16 november 2018, waardoor de rechtbank ten aanzien van de verdeling rekening zal houden met Nederlands recht.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 29 april 2025. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
Door de vrouw zijn de volgende vermogensbestanddelen naar voren gebracht:
Op de zitting is gebleken dat de alle vermogensbestanddelen inmiddels al verdeeld zijn. Alleen ten aanzien van de harde schijf bestaat nog discussie tussen partijen. De man stelt dat hij de harde schijf aan de zoon van partijen heeft meegeven. De vrouw geeft aan dat ze de harde schijf heeft gekregen maar dat er nog meer foto’s ook van de kinderen en fotoalbums zijn die de vrouw niet heeft teruggekregen.
De advocaten van partijen hebben tijdens de zitting de bereidheid uitgesproken om dit te gaan regelen. De rechtbank rekent erop dat de advocaten hiervoor zorg zullen dragen. Voor de kinderen is het belangrijk om foto’s van zichzelf te hebben toen ze klein waren, van hun eigen ouders en familie.
Nu de overige vermogensbestanddelen reeds zijn verdeeld en de harde schijf in het bezit is van de vrouw, stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de huwelijksgemeenschap niets meer te beslissen valt.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de vrouw en de man, getrouwd op [datum] 2012 in [plaats] , Irak;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de kinderen bij de man zijn:
- zolang de man geen eigen woonruimte heeft:
- iedere zaterdag van 10:00 uur tot 16:00 uur
waarbij de man de kinderen haalt en brengt;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] ;
*stelt vast dat ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap niets meer te beslissen valt;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte,
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 juli 2026.