ECLI:NL:RBDHA:2026:22933

ECLI:NL:RBDHA:2026:22933

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 16-08-2026
Zaaknummer C/09/702776 / FA RK 26-3369
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling in de werkelijke proceskosten.

Uitspraak

Proceskosten

Beschikking op het op 3 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 21 april 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Tijdens die zitting is door de rechter telefonisch contact opgenomen met de vader. Na afloop van deze zitting heeft de vader een wrakingsverzoek ingediend. Bij beschikking van 7 mei 2026 is het wrakingsverzoek toegewezen en is bepaald dat het geschorste onderzoek ter zitting in onderhavige procedure met ingang van heden opnieuw aanvang neemt en is dit onderzoek geschorst totdat het onderzoek door een andere rechter in deze rechtbank zal zijn hervat.

Op 13 juli 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet door een andere rechter in deze rechtbank. Hierbij zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2016 tot [datum 2] 2023.

- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats].

- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- Bij vonnis in kort geding van 18 april 2025 heeft de voorzieningenrechter onder meer en voor zover hier relevant bepaald dat de vader maximaal een keer per week een e-mail aan de moeder mag sturen van maximaal 600 woorden (hierna: “het contactverbod”). Aan dit contactverbod is een dwangsom verbonden van € 500,- voor iedere dag dat hij nalaat hieraan te voldoen.

Verzoek en verweer

primair
subsidiair

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Parijs, voor de periode van 28 april 2026 tot en met 2 mei 2026, zulks in de plaats van de toestemming van de vader;

- de vader te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, begroot op een nader op te geven bedrag, bestaande uit griffierecht ter hoogte van € 341,-, het salaris van de advocaat op basis van de werkelijke verrichte werkzaamheden en nakosten;

- de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure conform het liquidatietarief, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat volgens het geldende tarief voor familierechtelijke verzoekschriftprocedures, te vermeerderen met nakosten;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Vervangende toestemming vakantie

Ter zitting van 13 juli 2026 heeft de moeder het verzoek tot vervangende toestemming voor haar vakantie met [minderjarige] ingetrokken, zodat alleen nog resteert het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de werkelijke proceskosten.

Proceskosten

De moeder heeft haar verzoek om de vader te veroordelen in de werkelijke proceskosten als volgt toegelicht. De vader is bij een vorige zaak tussen partijen (die heeft geleid tot het vonnis in kort geding van 18 april 2025) veroordeeld in de geliquideerde proceskosten. De voorzieningenrechter heeft in die procedure geoordeeld dat het met name de rigide opstelling van de vader is geweest die de procedure noodzakelijk heeft gemaakt. De vader had hieruit – aldus de moeder – moeten concluderen dat hij zijn houding moet veranderen om ervoor te zorgen dat het niet nodig is om steeds procedures te voeren. Volgens de moeder heeft de vader echter ook in deze kwestie een rigide houding aangenomen en daarmee deze procedure in de hand gewerkt. Er was geen reden om zo lang te wachten met het geven van zijn toestemming voor een reis naar Parijs. Als hij die toestemming eerder had verleend en zich niet op onredelijke argumenten had beroepen, was deze procedure niet nodig geweest.

De rechtbank overweegt als volgt. In familiezaken is het uitgangspunt dat proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij. Deze nodeloze kosten kunnen dan ten laste worden gebracht van de partij die deze kosten heeft veroorzaakt. Hieronder vallen ook nodeloze kosten die zijn veroorzaakt doordat onnodig wordt geprocedeerd.

Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten – zoals de moeder hier heeft verzocht – is slechts plaats in geval van buitengewone omstandigheden. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer daarin, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als eiser zijn vordering of gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, ECLI:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure of het voeren van verweer daarin past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).

De rechtbank is van oordeel dat de buitengewone omstandigheden zoals hiervoor bedoeld zich in deze zaak voordoen. Zoals blijkt uit de door de moeder overgelegde stukken heeft de moeder de vader op meerdere momenten gevraagd om toestemming te verlenen voor een reis naar Parijs. Zo heeft de moeder op 24 en 31 maart 2026 zelf toestemming gevraagd aan de vader om met [minderjarige] naar Parijs af te reizen. Aangezien een reactie uitbleef, heeft vervolgens de advocaat van de moeder namens de moeder op 31 maart 2026 aan de vader gevraagd toestemming te verlenen, waarbij zij een deadline op 2 april 2026 12.00 uur heeft gesteld. Daarbij heeft zij toegelicht dat indien niet aan het verzoek wordt voldaan, zij een procedure zal starten en vervangende toestemming zal vragen voor de desbetreffende vakantie. In zijn negen pagina’s tellende reactie van 2 april 2026 heeft de vader geen toestemming gegeven. In plaats daarvan heeft hij een onnavolgbaar betoog gehouden over irrelevante zaken. Daarnaast heeft hij laten weten geen toestemming te kunnen geven voor de vakantie naar Parijs, omdat het toestemmingsformulier door de moeder onjuist en onvolledig zou zijn ingevuld (hij heeft aangevoerd dat in het formulier stond vermeld een treinreis met de ‘Thalys’ en dat had ‘Eurostar’ moeten zijn. Er was ook geen tijdstip of ritnummer ingevuld).

De rechtbank acht deze argumenten onzinnig; dit waren geen gegronde redenen om de toestemming te weigeren. Vervolgens is bovendien diezelfde dag het toestemmingsformulier door de moeder aangepast zoals verzocht door de vader én is de uitdrukkelijke toezegging gedaan dat het terugmailen van een ondertekend formulier niet wordt gezien als een e-mail in het kader van het contactverbod dat voor de vader geldt. De advocaat heeft daarbij laten weten dat wanneer het ingevulde formulier niet vóór 3 april 2026 9.00 uur wordt teruggestuurd, zij een spoedprocedure bij de rechtbank zal starten in verband met de korte termijn waarop de gewenste reis plaatsvindt. Een dag later op 3 april 2026 om 10.59 uur heeft de vader een e-mail van vijf pagina’s aan de advocaat gestuurd, waarin hij aangeeft dat deze termijn onredelijk is en dat hij in verband met het contactverbod pas op 6 april 2026 een ondertekend toestemmingsformulier zal toezenden. Daarop is de moeder onderhavige procedure gestart. De vader heeft pas daarna alsnog zijn toestemming gegeven.

Nog daargelaten dat namens de moeder nadrukkelijk is aangegeven dat geen dwangsom geïnd zou worden, ziet de rechtbank niet in waarom de vader wél uitgebreide (bijlagen bij) e-mails zou kunnen versturen naar de advocaat van de moeder zonder daarbij het contactverbod te verbreken, maar daarbij geen ingevuld toestemmingsformulier zou kunnen meesturen. De vader heeft geen enkele gegronde reden gegeven om zijn toestemming te onthouden. Door die toestemming niet te verlenen (maar hooguit in het vooruitzicht te stellen zonder toe te lichten waarom hij die toestemming niet onmiddellijk verleent) en een oneigenlijk beroep op het contactverbod te doen, heeft hij misbruik van de omstandigheden gemaakt. Door deze onredelijke houding aan te nemen, heeft hij de moeder gedwongen tot het maken van onnodige kosten en het aanhangig maken van een onnodige procedure, zonder in die procedure bovendien enig verweer te voeren. Dat hij later alsnog toestemming heeft verleend doet daar niet aan af, omdat hij dit pas heeft gedaan nadat de moeder noodgedwongen een procedure heeft gestart. De zeer uitgebreide e-mails met grievende toon die de vader aan de advocaat van de moeder stuurt, hebben ook nog eens tot gevolg dat de advocaatkosten van de moeder verder oplopen. Dit alles acht de rechtbank onrechtmatig. Een veroordeling van de vader in de werkelijke proceskosten is daarmee zonder meer op zijn plaats.

Deze kosten worden overeenkomstig het overzicht van de advocaat van de moeder vastgesteld op € 2.273,-, te weten € 1.743,- aan salaris van de advocaat en € 341,- aan griffierecht en de nakosten van € 189,-, plus de verhoging als vermeld in de beslissing.

Beslissing

De rechtbank:

veroordeelt de vader in de kosten van dit geding aan de zijde van de moeder begroot op € 2.273,-, plus extra nakosten van € 98,- indien de beschikking moet worden betekend, en de kosten van de eventuele betekening van de beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.J.W. Straatsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand