Gezag
Beschikking op het op 30 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
Op 13 juli 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de vader verzoekt te bepalen dat de moeder voortaan wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige], een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats].
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
Beoordeling
Gezag
De vader heeft verzocht om de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Vanwege zijn werk als taxichauffeur kan [minderjarige] in de weekenden niet bij hem verblijven. De ouders hebben wel afgesproken dat [minderjarige] in de vakanties langere tijd achter elkaar bij de vader kan verblijven, maar zij wil niet altijd naar hem komen. Het lukt de vader dan niet om [minderjarige] te overtuigen om wel te komen. De vader hoopt dat de zorgregeling minder spanning en stress met zich zal meebrengen als de moeder belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige].
De moeder is het eens met het verzoek van de vader. De communicatie tussen partijen verloopt moeizaam en de vader ziet [minderjarige] slechts sporadisch. Bovendien vindt [minderjarige] het niet fijn om bij haar opa (vaderszijde), die in hetzelfde huis als de vader woont, te verblijven. Volgens de moeder is de vader onvoldoende betrokken in het leven van [minderjarige] om gezagsbeslissingen over haar te kunnen nemen. Daarom wil zij met het eenhoofdig gezag worden belast.
Aangezien beëindiging van het gezamenlijk gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, moet de rechtbank beoordelen of eenhoofdig gezag door de moeder in dit geval in het belang van [minderjarige] is.
Op de zitting is besproken dat de ouders weinig problemen ondervinden bij het gezamenlijk nemen van gezagsbeslissingen. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken dan ook nu geen aanleiding om het verzoek van vader toe te wijzen. Ter zitting kwam ook ter sprake dat afspraken over en de uitvoering van de zorgregeling wel regelmatig voor discussies en stress zorgen. Met partijen is de mogelijkheid besproken tot ouderschapsbemiddeling, zodat zij kunnen worden geholpen met de invulling van een goede en haalbare zorgregeling. Naar aanleiding van het gesprek hierover hebben de ouders afgesproken dat zij nu geen begeleiding willen. Zij zijn samen tot een nieuwe zorgregeling gekomen, die inhoudt dat de vader [minderjarige] vanaf september voorlopig elke maandag, behalve de laatste maandag van de maand, om 15.00 uur uit school zal ophalen en om 19.00 uur bij de moeder thuis zal brengen, in aanvulling op de vakantieregeling. Op deze wijze raakt de vader hopelijk meer betrokken bij de dagelijkse opvoeding en verzorging van [minderjarige] en worden de discussies tussen de ouders verminderd. De ouders verzoeken daarom deze afspraken op te nemen in de beschikking. Zij wensen dat de beslissing op het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag van de moeder wordt aangehouden voor de duur van zes maanden in afwachting van het verloop van deze voorlopige zorgregeling.
Hoewel – zoals ook met partijen is besproken – de uitvoering van de zorgregeling een andere kwestie betreft dan het gezamenlijk gezag, ziet de rechtbank in het feit dat partijen nu met elkaar een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen waarvan nog onduidelijk is of die goed van de grond kan komen (mede gelet op de afstand tussen de woonplaats van [minderjarige] en de woonplaats van de vader) aanleiding de zaak aan te houden. Mocht die zorgregeling niet goed van de grond komen, dan kunnen partijen alsnog worden verwezen. De zaak zal worden aangehouden tot 15 januari 2027 pro forma. De rechtbank verwacht van partijen dat zij voor de pro forma datum de rechtbank informeren over de laatste stand van zaken, het verloop van de voorlopige zorgregeling en de gewenste voortgang van de procedure.
Proceskosten
Aangezien de rechtbank de beslissing ten aanzien van het gezag zal aanhouden, zal zij ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden.
BeslissingDe rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], in aanvulling op de onderling overeengekomen zorgregeling, met ingang van 1 september 2026 voorlopig bij de vader zal zijn:
- iedere maandagmiddag uit school, behalve de laatste maandag van de maand, waarbij de vader [minderjarige] om 15.00 uur ophaalt uit school en haar om 19.00 uur bij de moeder brengt;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de proceskosten aan tot 15 januari 2027 pro forma.