Beschikking op het op 28 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[moeder 1],
moeder, hierna te noemen: [moeder 1],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kievit te Breda.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[moeder 2],
moeder, hierna te noemen: [moeder 2],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.C. Carlo-Lodder te ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 6 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- [moeder 1], bijgestaan door haar advocaat en ondersteund door een tolk.
[moeder 2] is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen. [moeder 2] heeft aangegeven dat zij niet op de zitting zal verschijnen omdat zij zwanger is, een burn-out heeft en zij door de problemen tussen de ouders emotioneel overbelast is. De advocaat van [moeder 2] heeft laten weten dat zij niet op de zitting aanwezig is in verband met een vakantie in het buitenland. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak en zeer beperkte beschikbaarheid van de advocaat, is met haar verhinderdata geen rekening gehouden.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats].
- [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van [moeder 2].
- [moeder 1] heeft de Spaanse nationaliteit. [moeder 2] en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2026 is – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- aan [moeder 1] en [moeder 2] gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige];
- [minderjarige] bij [moeder 1] zal zijn: de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.
Verzoek en verweer
[moeder 1] verzoekt de rechtbank:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
[moeder 2] heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
het verzoek om vervangende toestemming voor een vakantie naar Spanje af te wijzen, althans,
indien de rechtbank toch vervangende toestemming verleent: te bepalen dat het verblijf beperkt blijft tot maximaal een lang weekend bij de vakantiewoning van de familie van verzoekster in de omgeving van [plaats 1], en niet bij de familiewoning in [plaats 2], teneinde te voorkomen dat [minderjarige] wordt blootgesteld aan het volledige gezinsverband van de familie van [moeder 1] dat de gehele zomer in één huis verblijft te [plaats 2], waarbij de ouders in dat geval voorafgaand aan de vakantie schriftelijk overeenstemming bereiken over concrete veiligheidsafspraken, waaronder in ieder geval: geen autorit met rijders onder invloed, gebruik van een deugdelijk kinderzitje, en het recht van verweerster om te allen tijde telefonisch contact te hebben met [minderjarige];
- het verzoek tot afgifte van het identiteitsbewijs af te wijzen, zolang geen definitieve overeenstemming bestaat over de bestemming en de veiligheidswaarborgen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
BeoordelingRechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken van [moeder 1] aangaande [minderjarige].
Verdeling zomervakantie, vervangende toestemming vakantie en afgifte identiteitsbewijs Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen op verzoek van de ouder(s) geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Voor een verzoek op grond van artikel 1:253a BW is geen spoedeisend belang vereist. Het standpunt van [moeder 2] dat het spoedeisend belang ontbreekt wordt in de beoordeling daarom niet beoordeeld.
Standpunten ouders [moeder 1] acht het in het belang van [minderjarige] dat zij maximaal twee aaneengesloten weken bij één van de ouders is, zodat [minderjarige] niet één van de ouders drie weken hoeft te missen. Daarnaast wil zij tijdens de zomervakantie met [minderjarige] op vakantie naar Spanje, waar zij in een woning van de familie van [moeder 1] zullen verblijven. [moeder 1] geeft op de zitting aan dat de ouders gestart zijn met mediation. Tijdens het mediationtraject hebben de ouders gesproken over de verdeling van de vakantiedagen, het contact tussen [minderjarige] en [moeder 2] tijdens de vakantie in Spanje en het rijden in Spanje, vanwege de zorgen van [moeder 2]. [moeder 2] zou daarbij akkoord zijn gegaan met de door [moeder 1] gewenste vakantie (met licht afwijkende data). Het toestemmingsformulier is uiteindelijk echter niet door [moeder 2] ondertekend.
Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] vindt [moeder 1] de reis naar Spanje van belang. [moeder 1] komt uit Spanje en sinds december 2021 is [moeder 1] niet meer met [minderjarige] naar Spanje geweest. Ten aanzien van de zorgen van [moeder 2] over de veiligheid van [minderjarige] in Spanje geeft [moeder 1] aan dat haar familie in het begin moeite had om de relatie met [moeder 2] te accepteren, maar dat was vijftien jaar geleden. Daarnaast betwist [moeder 1] de zorgen van [moeder 2] over het rijden onder invloed door haar familie.
[moeder 2] verzoekt de rechtbank de behandeling van de verzoeken van [moeder 1] aan te houden in afwachting van de procedure bij het gerechtshof, waarin [moeder 2] een verzoek heeft gedaan tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank van 1 mei 2026, voor zover het de progressieve uitbreiding van de zorgregeling na de zomervakantie 2026 betreft. Volgens [moeder 2] prejudicieert een reis naar Spanje op de uitkomst van de procedure bij het gerechtshof. Daarnaast betwist [moeder 2] het spoedeisend belang bij de verzoeken.
Inhoudelijk geeft [moeder 2] aan dat [moeder 1] in 2025 ook om vervangende toestemming heeft verzocht voor een vakantie met [minderjarige] naar Spanje. [moeder 2] vond het zorgelijk dat de familie van [moeder 1] onder invloed reed en zij maakte zich zorgen over de mate van invloed van de familie op [moeder 1]. [moeder 2] was vanwege die gebeurtenissen bang dat de veiligheid van [minderjarige] in gevaar zou komen in Spanje. Bij de rechtbank bestond daardoor de angst dat een vakantie van [minderjarige] naar Spanje het wantrouwen tussen de ouders zou vergroten en dit in de weg zou staan aan een succesvol ouderschapsbemiddelingstraject. De rechtbank heeft het verzoek toen afgewezen. [moeder 2] is van mening dat de situatie ongewijzigd is en dat de bezwaren die destijds aanleiding waren voor afwijzing onverminderd van kracht zijn. Verder geeft [moeder 2] aan dat het [moeder 1] wel vrij staat om naar een alternatieve vakantiebestemming te reizen.
Inhoudelijke beoordeling
Geen doorkruising hoger beroep
De rechtbank stelt vast dat het in hoger beroep voorliggende geschil niet ziet op de zomervakantie van 2026. Van tegenstrijdige beslissingen of een doorkruising van de procedure bij het gerechtshof is daarom geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de verzoeken aan te houden.
De rechtbank stelt vast dat de ouders er niet in zijn geslaagd om in onderling overleg tot afspraken te komen over de verdeling van de zomervakantie in 2026. De rechtbank acht het in het belang van de ouders en [minderjarige] dat hier duidelijkheid over komt. De rechtbank zal het verzoek van [moeder 1] over de verdeling van de zomervakantie toewijzen, in die zin dat [minderjarige] van 2026 van 20 juli tot en met 27 juli 2026 en van 12 augustus tot 26 augustus 2026 bij [moeder 1] verblijft en de overige periode bij [moeder 2]. [moeder 2] heeft hier geen verweer tegen gevoerd en het belang van [minderjarige] verzet zich hier niet tegen.
Ten aanzien van de vakantie naar Spanje is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] om met [moeder 1] naar Spanje te gaan. [moeder 1] komt uit Spanje en [minderjarige] is ruim vier en een half jaar niet bij haar familie in Spanje geweest. De reis naar Spanje draagt bij aan het onderhouden van haar band met haar Spaanse familie en voor haar identiteitsontwikkeling is het van belang dat zij kennis kan nemen van de Spaanse cultuur. Het is niet langer aan de orde dat een vakantie naar Spanje een succesvol ouderschapsbemiddelingstraject waarschijnlijk in de weg zou staan. Dat traject is inmiddels gestart en daar kunnen de ouders definitieve afspraken maken over de uitvoering van de vakantie naar Spanje (bijvoorbeeld over het contact tussen [minderjarige] en [moeder 2] tijdens de vakantie en het veilig rijden in Spanje). De rechtbank heeft daarnaast geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in Spanje. De zorgen van [moeder 2] lijken voort te komen uit de moeilijk relatie met haar schoonfamilie en missen concrete aanwijzingen. De rechtbank zal het verzoek van [moeder 1] tot vervangende toestemming om van 12 tot 26 augustus met [minderjarige] naar Spanje te reizen daarom toewijzen.
Nu [minderjarige] zich tijdens de reis naar Spanje moet kunnen legitimeren, zal de rechtbank bevelen dat [moeder 2] het identiteitsbewijs van [minderjarige] uiterlijk op 2 augustus 2026 aan [moeder 1] beschikbaar moet stellen. [moeder 2] heeft hier geen inhoudelijk verweer tegen gevoerd, dus de rechtbank gaat ervan uit dat zij hier geen bezwaar tegen heeft.
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat [minderjarige] in de zomervakantie van 2026 van 20 juli tot en met 27 juli 2026 en van 12 augustus tot 26 augustus 2025 bij [moeder 1] verblijft en de overige periodes bij [moeder 2];
*
verleent aan [moeder 1] toestemming – die de toestemming van [moeder 2] vervangt – voor een reis naar Spanje in de periode van 12 augustus tot 26 augustus 2026 met de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021;
*beveelt dat [moeder 2] uiterlijk op 2 augustus 2026 het identiteitsbewijs van [minderjarige] beschikbaar stelt aan [moeder 1], door deze aan haar te overhandigen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
* bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.