ECLI:NL:RBDHA:2026:22988

ECLI:NL:RBDHA:2026:22988

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-08-2026
Datum publicatie 16-08-2026
Zaaknummer 12051070
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vernietiging bindend advies geschillencommissie. Niet voldaan aan stelplicht. Afwijzing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

PV/DN/c

Zaak-/rolnr.: 12051070 RL EXPL 26-503

17 augustus 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres] , wonende te [woonplaats],eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres], gemachtigde: mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima (toevoeging: [nummer]),

tegen

Parnassia Groep B.V.,

gevestigd te Den Haag,gedaagde partij,

hierna te noemen: Parnassia,gemachtigde: mr. M. Roth.

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 23 december 2025 met producties 1 tot en met 10;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4;

- de akte houdende wijziging van eis/vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 11 tot en met 16;

- de antwoordakte van Parnassia met producties 5 tot en met 9;

- de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 3 juni 2026 met producties 17 en 18;

- de e-mail van [eiseres] van 5 juni 2026 met twee Excel-bestanden;

- de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 10 juni 2026 met de reactie van [eiseres] op de antwoordakte;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 en de tijdens die zitting namens Parnassia overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.

2. Feiten

[eiseres] is in juni 2019 bij Parnassia onder behandeling gekomen vanwege (hoofdzakelijk) verslavingsproblematiek.

[eiseres] heeft op 12 maart 2025 een klacht ingediend bij de geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: de Geschillencommissie) over, kort gezegd, (deelname aan) het behandelprogramma, onbevoegde inzage in haar dossier, fraude met zorgfacturen en de aanwezigheid van medische stukken van andere personen in haar dossier.

Bij het aanhangig maken van de klacht heeft [eiseres] een akkoordverklaring ondertekend. In deze verklaring staat het volgende:

Ik vraag de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg mijn klacht in behandeling te nemen. Ik begrijp dat ik de klacht ook kan voorleggen aan de bevoegde rechter, maar in plaats daarvan wil ik mijn klacht voorleggen aan de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg. Ik aanvaard de uitspraak van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg als bindend. Met deze uitspraak wordt het geschil beslist.

Parnassia heeft schriftelijk verweer gevoerd tegen de klachten van [eiseres].

De geschillencommissie heeft de klachten van [eiseres] op 18 augustus 2025 mondeling behandeld.

De geschillencommissie heeft op 10 november 2025 in een bindend advies de klacht van [eiseres] gedeeltelijk gegrond verklaard. De beslissing luidt als volgt:

De Commissie:

verklaart de klacht van de cliënt ten aanzien van de onvoldoende beveiliging van medische informatie en ongeoorloofde inzagen in het medische dossier gegrond;

verklaart de overige klachten ongegrond;

bepaalt dat de zorgaanbieder binnen een maand na verzending van dit bindend advies een immateriële schadevergoeding van € 2.500,-- aan de cliënt dient te betalen;

bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtgeld van € 53,50 aan haar dient te vergoeden.

Op de laatste pagina van het bindend advies staat verder het volgende:

U kunt (…) binnen 2 maanden na de verzenddatum van de uitspraak aan de burgerlijke rechter vragen de uitspraak te vernietigen. (…) Wanneer de uitspraak niet binnen 2 maanden door een van de partijen aan de burgerlijke rechter is voorgelegd door dagvaarding van de andere partij, kan de uitspraak niet meer ongedaan gemaakt worden.

3. De vordering

[eiseres] vordert in deze procedure, na eiswijziging, en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

vernietiging van het bindend advies van de geschillencommissie;

een verklaring voor recht dat Parnassia toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld;

veroordeling van Parnassia tot betaling van € 22.500, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan vergoeding van immateriële schade;

veroordeling van Parnassia tot onmiddellijke staking van alle onbevoegde dossier inzagen;

veroordeling van Parnassia tot correctie en vernietiging van onjuist geplaatste dossierstukken;

veroordeling van Parnassia tot overlegging van volledige, ongefilterde loggings;

veroordeling van Parnassia in de kosten van deze procedure.

Parnassia voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet tijdig worden voldaan.

De door partijen aangevoerde stellingen en verweren worden hierna, voor zover dat voor de beoordeling nodig is, besproken.

4. Beoordeling

Ontvankelijkheid

Het meest verstrekkende verweer van Parnassia is dat [eiseres] in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij niet binnen twee maanden na 10 november 2025 bij de rechtbank heeft gevraagd om vernietiging van het bindend advies.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 111 lid 2 sub d Rv is bepaald dat het exploot van dagvaarding de eis en de gronden daarvan moet vermelden. De eis hoeft niet op een bepaalde plaats of in een bepaalde vorm in de dagvaarding te worden opgenomen, maar wel is in beginsel vereist dat op een voldoende in het oog springende wijze in de dagvaarding een afzonderlijk en als zodanig herkenbare eis voorkomt. Als uit het lichaam van de dagvaarding zonder meer duidelijk is tegen welke vordering de gedaagde zich heeft te verweren, dan zal het zich kunnen voordoen dat aan het vereiste van artikel 111 lid 2 sub d Rv is voldaan, ook als een uitdrukkelijk geformuleerd petitum ontbreekt.

In het petitum van de inleidende dagvaarding vordert [eiseres] onder andere een verklaring voor recht dat Parnassia toerekenbaar is tekortgeschoten en onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede veroordeling van Parnassia tot betaling van € 22.500,- aan vergoeding van immateriële schade. In het lichaam van de inleidende dagvaarding is het volgende opgenomen: Deze dagvaarding strekt ertoe dat de rechtbank oordeelt over structureel en ernstig tekortschieten van gedaagde in de nakoming van het verplichtingen jegens eiseres (…)” (paragraaf 1) en “Eiseres maakt tijdig gebruik van haar recht om het geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen, nu de Geschillencommissie (…) slechts een deel van de schade heeft beoordeeld en de schade bovendien voortduurt. Doch ook nu de ernst, duur en voortdurende aard van de tekortkomingen een aanzienlijke verdergaande rechterlijke toetsing en schadevergoeding rechtvaardigen (paragraaf 3). Eerst bij akte met eiswijziging, ruim vijf maanden na het bindend advies, heeft [eiseres] een vordering tot vernietiging van het bindend advies in het (gewijzigde) petitum opgenomen.

De kantonrechter overweegt dat, ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende vordering in het petitum van de inleidende dagvaarding, uit de ingestelde vordering duidelijk volgt dat [eiseres] vernietiging van het bindend advies van de geschillencommissie beoogde. Aan de beoordeling van de in de inleidende dagvaarding gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding wordt immers slechts toegekomen bij herbeoordeling van het inhoudelijke geschil door de rechter (vergelijk artikel 7:904 lid 2 BW). Een dergelijke herbeoordeling is eerst mogelijk nadat het bindend advies (gedeeltelijk) is vernietigd.

Ook uit de inhoud van de inleidende dagvaarding blijkt duidelijk dat [eiseres] een herbeoordeling van het geschil door de burgerlijke rechter – en daarmee dus (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies – voor ogen had. [eiseres] heeft in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk namelijk vermeld dat zij gebruik maakte van haar recht om het geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen, zoals op de laatste pagina van het bindend advies ook is vermeld (zie r.o. 2.7.). Dat dit ook voor Parnassia duidelijk was, blijkt wel uit de omstandigheid dat zij in haar conclusie van antwoord onder meer het standpunt heeft ingenomen dat, gelet op de maatstaf van artikel 7:904 lid 1 BW, vernietiging van de beslissing van de geschillencommissie niet aan de orde is.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiseres] reeds bij inleidende dagvaarding van 23 december 2025 een vordering tot vernietiging van het bindend advies heeft ingesteld. Daarmee heeft [eiseres] tijdig, dat wil zeggen binnen twee maanden na 10 november 2025, vernietiging van het bindend advies gevorderd. [eiseres] is dan ook ontvankelijk in haar vordering tot vernietiging van het bindend advies van de geschillencommissie.

Het toetsingskader van deze procedure

Niet in geschil is dat partijen de beslissing over hun geschil hebben opgedragen aan de geschillencommissie. De beslissing van de geschillencommissie is een vaststelling in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW. De beslissing van de geschillencommissie is tussen partijen bindend. Dit betekent dat partijen hetzelfde geschil of dezelfde kwestie niet opnieuw aan de burgerlijke rechter kunnen voorleggen. Partijen kunnen de bindende kracht van het advies alleen aantasten indien gebondenheid hieraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De vernietigingsmaatstaf uit artikel 7:904 lid 1 BW biedt slechts een beperkte mogelijkheid om een bindend advies te vernietigen. De kantonrechter mag haar eigen oordeel over het geschil niet in de plaats van het bindend advies stellen. Bovendien leidt niet iedere onjuistheid of gebrek in de beslissing tot vernietiging. Vernietiging kan alleen op gronden die meebrengen dat het advies door zijn inhoud of wijze van totstandkoming zo zeer indruist tegen redelijkheid en billijkheid dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat zij aan dit advies zou kunnen worden gehouden.

In deze maatstaf ligt besloten dat alleen ernstige gebreken daartoe kunnen leiden. Voor vernietiging is geen plaats als het gaat om een beslissing waarover redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Dit vraagt terughoudendheid van de rechter aan wie een bindend advies ter vernietiging wordt voorgelegd. De eisen die aan de totstandkoming van het bindend advies moeten worden gesteld, houden onder andere in dat de beslissing op een deugdelijk onderzoek is gebaseerd en dat de beslissing voldoende is gemotiveerd. Op de vraag in hoeverre een bindend advies moet worden gemotiveerd valt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen algemeen antwoord te geven. Naarmate het bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, behoort de beslissing meer en beter te worden gemotiveerd. Als het gevraagde oordeel meer op intuïtief inzicht berust, kunnen omgekeerd aan dat oordeel lagere motiveringseisen worden gesteld.

Indien bij de totstandkoming van een bindend advies procedurele fouten zijn gemaakt, is voor de beantwoording van de vraag of een partij haar wederpartij aan een bindend advies mag houden, mede van belang of, en zo ja in welke mate, door de procedurefout nadeel aan de wederpartij is toegebracht.

Uit hetgeen [eiseres] in de processtukken en op de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, is de kantonrechter gebleken dat [eiseres] het toepasselijke juridische kader uit het oog is verloren. [eiseres] gaat namelijk uit van een herbeoordeling door de kantonrechter en heeft daartoe het volledige dossier van de procedure bij de geschillencommissie en diverse andere omvangrijke stukken in het geding gebracht. Zoals hiervoor uiteengezet, dient een vordering tot vernietiging van een bindend advies te zijn gebaseerd op gebreken met betrekking tot de inhoud of wijze van totstandkoming van het advies. Op [eiseres] rust de plicht voldoende concrete feiten te stellen met betrekking tot de inhoud of wijze van totstandkoming van het advies waaruit volgt dat er grond is voor vernietiging van het bindend advies, en om bij betwisting door Parnassia die feiten te bewijzen. Uitsluitend in het geval dat de kantonrechter tot het oordeel komt dat het bindend advies van de geschillencommissie dient te worden vernietigd, wordt toegekomen aan een inhoudelijke herbeoordeling van het handelen van Parnassia en de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden.

[eiseres] heeft echter nagelaten voldoende te onderbouwen dat én op grond waarvan sprake is van ernstige gebreken. De bezwaren van [eiseres] richten zich voornamelijk op het inhoudelijke oordeel van de geschillencommissie over de verschillende klachtonderdelen. Dat volgens [eiseres] sprake is van een onjuiste beslissing is echter niet genoeg voor vernietiging van het bindend advies. Evenmin heeft [eiseres] haar stellingen geconcretiseerd en onderbouwd met verwijzingen naar de overgelegde stukken die terzake relevant zijn. Hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd is daarmee een op zichzelf staande en onsamenhangende tekst met verwijzingen naar ongeordende stukken, waarvan de relevantie, niet alleen voor Parnassia maar ook voor de kantonrechter, volstrekt onduidelijk is. Het is niet aan de kantonrechter om eigener beweging in die stukken op zoek te gaan naar informatie die de stellingen van [eiseres] mogelijk kunnen ondersteunen.

De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat hetgeen door [eiseres] is gesteld geen ernstig gebrek oplevert dat meebrengt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar aan het advies van de geschillencommissie te houden. De kantonrechter zal aan de hand van hetgeen door [eiseres] is gesteld uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

De aangevoerde vernietigingsgronden

Klacht over schending zorgplicht en schade

De geschillencommissie heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel als volgt beslist:

Het staat een zorgaanbieder vanuit professionele kennis en ervaring vrij aanvullende voorwaarden te stellen aan het volgen van een behandeling. De commissie is beroepshalve bekend met het gegeven dat het voor dergelijke therapievormen als DVP van groot belang is dat cliënten enerzijds voldoende mentale behandelruimte hebben en anderzijds mogelijkheden hebben om de behandeling toe te kunnen passen in het dagelijks leven.

Het is naar het oordeel van de commissie dan ook niet onzorgvuldig of onprofessioneel dat de zorgaanbieder als voorwaarde voor de behandeling heeft gesteld dat de cliënt haar studie zou af zou ronden en een baan zou hebben. Uit de stukken en het besprokene ter zitting kan de commissie niet concluderen dat de zorgaanbieder hiermee onnodige of onprofessionele drempels heeft opgeworpen voor de client.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

[eiseres] beklaagt zich erover dat de geschillencommissie de klacht over de schending van de zorgplicht en de door haar geleden schade niet volledig heeft beoordeeld. De geschillencommissie heeft het klachtonderdeel ten onrechte beperkt tot de vraag of het formeel is toegestaan om aanvullende voorwaarden te stellen aan een behandeling zonder daarbij onderzoek te doen naar en/of te betrekken:

- de buitensporige wachttijden en personeelstekorten,

- de misleidende informatie over wachtlijsten,

- de aantoonbare motivatie van [eiseres] voor het volgen van de behandeling en afhankelijkheid,

- de dossierfouten en onjuiste informatie in het medisch dossier,

- de structurele miscommunicatie en tegenwerken van haar behandeltraject,

- het annuleren van afspraken door de zorgaanbieder,

- het beëindigen van de behandeling na langdurige facturatie,

- de gevolgen voor de (psychische) gezondheid van [eiseres].

De kantonrechter overweegt als volgt. Gelet op de motiveringseis behoefde de geschillencommissie haar oordeel dat, kort gezegd, Parnassia voorwaarden aan de behandeling mocht stellen, niet nader te motiveren. Dit oordeel berust immers hoofdzakelijk op vakkennis (intuïtief) inzicht, zodat minder hoge eisen aan de motivering kunnen worden gesteld. In het oordeel van de geschillencommissie dat het klachtonderdeel ongegrond is, ligt verder besloten dat niet meer wordt toegekomen aan een beoordeling van de in dat kader door [eiseres] gestelde schade. Dat de geschillencommissie dit niet expliciet heeft overwogen, maakt de beslissing op dit klachtonderdeel niet onbegrijpelijk en daarmee gebrekkig.

De kantonrechter kan verder niet vaststellen of, zoals [eiseres] stelt, de geschillencommissie onderbouwde stellingen ten onrechte onbesproken heeft gelaten. [eiseres] heeft namelijk nagelaten haar stelling op dit punt te concretiseren en te onderbouwen. Het lag op haar weg om inzicht te geven in het partijdebat dat op dit klachtonderdeel bij de geschillencommissie is gevoerd. Welke stellingen [eiseres] daarover heeft ingenomen en wat is het verweer van Parnassia daarop is geweest. Of de geschillencommissie gehouden was tot een ruimere motivering en dat het advies door het achterwege laten van die motivering gebrekkig is, kan de kantonrechter daarom niet beoordelen.

Klacht over fraude

De geschillencommissie heeft op dit klachtonderdeel als volgt beslist:

De cliënt heeft aangevoerd dat onterecht behandelingen in rekening zijn gebracht, terwijl zij die behandeling niet heeft ondergaan. Zo wijst client op de facturen van groepssessies, waar zij reeds voor was uitgeschreven. De cliënt is van mening dat de zorgaanbieder hierin gefraudeerd heeft.

De zorgaanbieder heeft de aard van de betreffende facturen ter zitting niet kunnen toelichten. Volgens de zorgaanbieder maakte de klacht over zorgfraude geen deel uit van de originele klacht zoals bij de commissie aanhangig gemaakt en de zorgaanbieder is er dan ook vanuit gegaan dat dit klachtonderdeel geen deel uitmaakt van het geschil. De commissie volgt dit standpunt niet (…) Het klachtonderdeel maakt dan ook onderdeel uit van het geschil en de zorgaanbieder heeft voldoende gelegenheid gehad hier nader onderzoek naar te doen.

De commissie kan niet uitsluiten dat de zorgaanbieder onterecht heeft gefactureerd, maar dat de zorgaanbieder hier moedwillig in heeft gefraudeerd kan de commissie niet concluderen. De zorgaanbieder heeft ter zitting aangeboden de betreffende facturen op verzoek van de cliënt nader te onderzoeken. Het staat de cliënt vrij hierover nader met de zorgaanbieder in contact te treden.

[eiseres] stelt dat de geschillencommissie de klacht over de onterechte facturering onvoldoende heeft onderzocht en de beslissing onbegrijpelijk is. Daartoe voert [eiseres] aan dat Parnassia niet goed heeft kunnen toelichten waarom [eiseres] is gefactureerd voor behandelingen die zij niet heeft ondergaan. De geschillencommissie had daarom moeten overwegen dat de stellingen van [eiseres] als onvoldoende weersproken vast zijn komen te staan. Ook heeft de geschillencommissie ten onrechte de door [eiseres] aangeleverde documenten niet inhoudelijk onderzocht. Tot slot beklaagt [eiseres] zich er over dat het onbegrijpelijk is dat de geschillencommissie overweegt dat [eiseres] over de facturen met Parnassia in contact treedt, terwijl zij wist dat Parnassia een eerder verzoek om de facturen te onderzoeken had geweigerd.

De kantonrechter overweegt als volgt. Uit het bindend advies blijkt dat de geschillencommissie van oordeel is dat, ook indien vaststaat dat Parnassia onterecht heeft gefactureerd, daaruit niet volgt dat Parnassia moedwillig heeft gefraudeerd. Voor de conclusie dat sprake is van fraude is immers meer vereist dan dat onjuiste facturen zijn verzonden. Bij deze uitkomst behoefde de geschillencommissie de door [eiseres] overgelegde stukken dus ook niet nader te onderzoeken. Dit oordeel acht de kantonrechter daarom niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat de geschillencommissie aangeeft dat [eiseres] over de facturen met Parnassia in contact kan treden, is tegen deze achtergrond ook niet onbegrijpelijk. De kantonrechter stelt vast dat ook bij dit klachtonderdeel [eiseres] heeft nagelaten om inzicht te geven in de door haar bij de geschillencommissie aangevoerde stellingen en de onderbouwing daarvan. [eiseres] volstaat met een verwijzing naar de volgens haar onterecht verzonden facturen en daarbij behorende stukken. Dat en op grond waarvan het oordeel van de geschillencommissie gebrekkig is, mist daarmee een toereikende onderbouwing.

Klacht over privacyschending

De geschillencommissie heeft op dit klachtonderdeel als volgt beslist:

Naar het oordeel van de commissie is het uiterst zorgelijk dat de beveiliging van medische dossiers van cliënten bij een organisatie met de omvang als die van de zorgaanbieder, volstrekt onvoldoende is gewaarborgd. Dit betreft ernstig verwijtbaar handelen wat toe te rekenen is aan de zorgaanbieder. Het is voor de commissie onbegrijpelijk waarom de zorgaanbieder geen (tijdelijke) veiligheidsmaatregelen heeft genomen, zoals het uitvoeren van periodieke steekproeven.

Naar het oordeel van de commissie blijkt hieruit dat de zorgaanbieder zich onvoldoende bewust is van de ernst van de situatie. De cliënt heeft aangevoerd dat zij de privacy schendingen al jarenlang aan de zorgaanbieder heeft gemeld. Desalniettemin heeft de zorgaanbieder de beveiliging van de medische dossiers nog niet op orde en ter zitting heeft de zorgaanbieder bevestigd dat de implementatie van een andere autorisatiesystematiek niet op korte termijn geregeld kan worden.

Van een professionele organisatie met de omvang als die van de zorgaanbieder mag worden verwacht dat de beveiliging van gevoelige persoonsgegevens in de vorm van medische informatie de hoogste prioriteit heeft. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder zich hiervoor onvoldoende ingezet, althans is dat de commissie niet gebleken.

Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

(…)

De cliënt heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 25.000,- wegens de psychische schade die zij stelt te hebben geleden door de tekortschietende beveiliging van haar medische dossiers en de daaruit voortvloeiende ongeautoriseerde inzagen. (…)

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de zorgaanbieder ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de behandelovereenkomst, in het bijzonder de verplichting om de privacy en het medisch dossier beroepsgeheim van de cliënt te waarborgen.

De commissie acht het aannemelijk dat de cliënt door de herhaalde en langdurige schending van haar privacy leed heeft ondervonden. De cliënt heeft daartoe overtuigend gesteld dat bij haar sprake is van ernstig psychisch en emotioneel nadeel, bestaande uit herbelevingen, angst, onrust, verlies van vertrouwen in de zorg en verergering van bestaande klachten. De zorgaanbieder heeft deze stellingen niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Daarmee staat naar het oordeel van de commissie vast dat de cliënt “op andere wijze in haar persoon is aangetast” als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. De omvang van de immateriële schadevergoeding laat zich niet exact begroten. De commissie begroot deze, mede gelet op de aard en duur van de tekortkoming, de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de gevolgen voor de cliënt, ex aequo et bono op € 2.500,-.

De commissie acht dit bedrag passend en billijk als compensatie voor het door de cliënt ondervonden immateriële nadeel.

[eiseres] stelt dat de geschillencommissie in haar oordeel onvoldoende tot uiting heeft gebracht dat uit de stukken en de samenhang met andere klachtonderdelen blijkt dat sprake was van een structureel patroon van privacyschending.

De kantonrechter overweegt als volgt. De geschillencommissie heeft op dit klachtonderdeel de klacht gegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat Parnassia ernstig is tekortgeschoten in haar verplichting om de privacy en het medisch beroepsgeheim van [eiseres] te waarborgen en heeft aan [eiseres] een schadevergoeding toegekend voor het psychisch leed dat is ontstaan door de herhaalde en langdurige schending van haar privacy. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit deze bewoordingen dat de geschillencommissie wel degelijk oog heeft gehad voor het structurele karakter van de privacyschending. De beslissing van de geschillencommissie om een schadevergoeding van € 2.500,00 aan [eiseres] toe te kennen, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet buiten de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Wat de geschillencommissie fout heeft gedaan, is de kantonrechter daarom niet duidelijk. [eiseres] heeft haar standpunt ten aanzien van dit klachtonderdeel ook verder niet toegelicht. Dat de wijze van totstandkoming en/of de inhoud van de beslissing gebrekkig is, is daarom door [eiseres] onvoldoende concreet gemaakt.

Procedurele gebreken

[eiseres] stelt dat de procedure bij de geschillencommissie niet eerlijk is verlopen. Volgens [eiseres] is sprake van:

- schijn van partijdigheid,

- ongelijke behandeling,

- het niet (volledig) meenemen van tijdig ingediende stukken,

- een gebrekkige behandeling van het wrakingsverzoek,

- onvoldoende gelegenheid om te reageren,

- aanwijzingen voor ongeoorloofde informatie-uitwisseling.

De kantonrechter overweegt als volgt. [eiseres] heeft de (leden van de) geschillencommissie en de secretaris gewraakt. Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de wrakingscommissie het wrakingsverzoek afgewezen. Uit de beslissing van de wrakingscommissie blijkt dat [eiseres] aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van schijn van partijdigheid en ongelijke behandeling. [eiseres] heeft zich erover beklaagd dat de geschillencommissie stukken die tijdig door haar waren ingediend niet heeft meegenomen, terwijl het te laat ingediende verweerschrift van Parnassia wel is meegenomen. Zij heeft zich er verder over beklaagd dat één van de commissieleden deel zou uitmaken van de Parnassiagroep. Ten slotte heeft zij zich beklaagd over de vraagstelling van één van de commissieleden tijdens de zitting, waaruit volgens [eiseres] zou blijken dat haar stukken niet zijn gelezen of niet zijn meegenomen door de geschillencommissie.

Omdat [eiseres] dit klachtonderdeel niet nader heeft toegelicht, is de kantonrechter, mede in aanmerking genomen hetgeen de wrakingscommissie heeft beslist, van oordeel dat [eiseres] onvoldoende aan de hand van concrete stellingen heeft onderbouwd dat het bindend advies op de inhoud en/of de wijze van totstandkoming van de beslissing dusdanig ernstig gebrekkig is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [eiseres] aan het bindend advies gehouden zou zijn.

De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] het ook niet eens is met de wijze van behandeling van het wrakingsverzoek en de beslissing van de wrakingscommissie. Nog los van het feit dat [eiseres] haar stellingen op dit punt ook niet heeft geconcretiseerd, ligt de beslissing van de wrakingscommissie zelf hier niet ter beoordeling voor. De beslissing van de wrakingscommissie behoeft daarom geen verdere bespreking.

Nieuwe feiten na de uitspraak.

[eiseres] voert aan dat de brief van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) van 21 januari 2026 over de schending van de AVG binnen Parnassia nieuw bewijs oplevert en dat het bindend advies daarom is gebaseerd op een onvolledig feitencomplex.

De kantonrechter overweegt als volgt. Parnassia heeft terecht aangevoerd dat feiten of omstandigheden die zich na het bindend advies hebben voorgedaan of eerst daarna bekend zijn geworden, geen grond voor vernietiging van dat bindend advies kunnen opleveren. AP heeft vastgesteld dat onbevoegde inzagen hebben plaatsgevonden in het medisch dossier van [eiseres]. Dit klachtonderdeel is bovendien door de geschillencommissie reeds gegrond verklaard.

Slotoverwegingen

Voor zover al sprake zou zijn van ernstige gebreken in de totstandkoming van het bindend advies, betekent dit niet zonder meer dat het bindend advies op die grond moet worden vernietigd. Gebondenheid aan een beslissing waaraan een ernstig gebrek kleeft is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar als blijkt dat het gebrek geen relevante nadelige invloed heeft gehad op de beslissing. [eiseres] heeft tevens nagelaten feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat een voor haar gunstig bindend advies zou zijn uitgebracht indien de door haar gestelde gebreken in de (wijze van) totstandkoming en/of de inhoud van het bindend advies worden weggedacht.

Conclusie

Nu [eiseres] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan aangenomen moet worden dat het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, blijft het bindend advies in stand. Dit betekent dat de kantonrechter de gevorderde vernietiging van het bindend advies afwijst.

Aan een herbeoordeling van het inhoudelijke geschil, meer in het bijzonder het gestelde wanpresteren en/of onrechtmatige handelen van Parnassia jegens [eiseres], wordt door de kantonrechter niet toegekomen. De kantonrechter verklaart [eiseres] in haar overige vorderingen daarom niet-ontvankelijk.

De kantonrechter hecht er aan om op te merken dat het allerzins begrijpelijk is dat het achterwege blijven van een inhoudelijke herbeoordeling voor [eiseres] een verre van bevredigende uitkomst is. Benadrukt wordt opnieuw dat (óók) de kantonrechter gehouden is om een aan haar voorgelegde vordering te beoordelen binnen het toepasselijke wettelijke kader. Dat kader geeft de kantonrechter bij deze uitkomst geen ruimte om voor een volledige herbeoordeling van het geschil.

[eiseres] moet de proceskosten betalen

Omdat [eiseres] in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Parnassia worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 1.442,50 (2,5 punt x tarief € 557,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 1.586,50

Voor de antwoordakte van Parnassia wordt een half salarispunt toegekend, omdat weliswaar geen toestemming is verleend voor een tweede schriftelijke ronde, maar de kantonrechter het redelijk acht dat Parnassia schriftelijk heeft willen reageren op de door [eiseres] genomen akte met eiswijziging.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering tot vernietiging van het bindend advies van de geschillencommissie af,

verklaart [eiseres] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.586,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eiseres] ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand