Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 25 juli 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. G. Wischhoff.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 28 oktober 2025 van de Staat;
- de brief van 26 november 2025 van de zijde van verzoekster, met bijlagen;
- de brief van 4 februari 2026 van de Staat.
Op 18 juni 2026 is de zaak, gelijktijdig met de procedure met zaaknummer C/09/689208 / HA RK 25-383, op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster en [naam] (de dochter van verzoekster), beiden bijgestaan door hun advocaat. Daarnaast is verschenen G. Wischhoff namens de Staat. Op het verzoek in de procedure met zaaknummer C/09/689208 / HA RK 25-383 is bij afzonderlijke beschikking van 16 juli 2026 beslist.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , Algerije.
- In februari 2008 is verzoekster met haar man en kinderen naar Nederland gekomen.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Gelet op de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, zal de rechtbank Algerije en Marokko bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van Algerije beschouwd?
Geen discussiepunt is dat verzoekster weliswaar in Algerije is geboren, maar dat er verder geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat verzoekster, al dan niet via haar ouders, de Algerijnse nationaliteit heeft verkregen. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding om ervan uit te gaan dat verzoekster de Algerijnse nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van Marokko beschouwd?
Wel bestaat verschil van inzicht over het antwoord op de vraag of verzoekster door de Marokkaanse autoriteiten wordt beschouwd als onderdaan van Marokko.
Verzoekster voert aan dat zij is geboren in Algerije, maar dat haar ouders (ongedocumenteerde) Marokkanen of Algerijnen zijn die in Algerije zijn geboren. Verzoekster, haar toenmalige echtgenoot en haar kinderen zijn destijds met valse Marokkaanse paspoorten naar Nederland gekomen. Hoe haar toenmalige echtgenoot aan die paspoorten is gekomen en waar de paspoorten zijn gebleven weet zij niet.
De Staat stelt dat verzoekster in het verleden meerdere keren heeft verklaard dat haar eigen ouders Marokkaans zijn. Hierdoor is het aannemelijk dat verzoekster zelf ook de Marokkaanse nationaliteit bezit. De Marokkaanse nationaliteit wordt immers bij geboorte van rechtswege verkregen als een van de ouders de Marokkaanse nationaliteit bezit. Verzoekster heeft bovendien verklaard dat zij en haar kinderen Marokkaanse paspoorten hebben gehad. Het bezit van een nationaal paspoort duidt erop dat zij de Marokkaanse nationaliteit hebben. Niet is gesteld dat en op grond waarvan verzoekster de Marokkaanse nationaliteit zou zijn verloren.
De rechtbank overweegt als volgt. De Marokkaanse nationaliteit wordt van rechtswege verkregen door afstamming van (ten minste) één Marokkaanse ouder (artikel 6 van de Wet op de Marokkaanse nationaliteit van 6 september 1958, hierna ook: MNW).
De Staat wijst op de verklaringen die verzoekster heeft afgelegd dat zowel zij, alsook haar ouders Marokkaans zouden zijn. Voor zover dit letterlijk is verklaard door verzoekster, is de rechtbank van oordeel dat op grond van die verklaringen niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat verzoekster de Marokkaanse nationaliteit heeft. Onduidelijk is of verzoekster daarbij een onderscheid maakte tussen nationaliteit en herkomst, als al van haar verwacht mocht worden dat zij bekend was met dat onderscheid. De juridische werkelijkheid kan in dat kader anders zijn dan de ervaren sociale werkelijkheid.
Aan de door de Staat aangehaalde verklaring van verzoekster dat zij en de kinderen Marokkaanse paspoorten hadden, hecht de rechtbank geen doorslaggevende betekenis. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoekster destijds ook heeft verklaard dat zij een groot probleem had met haar nationaliteit, dat zij later heeft verklaard dat de Marokkaanse paspoorten waarmee het gezin naar Europa is gereisd vals waren en dat de politie destijds niet heeft doorgevraagd naar de authenticiteit van de paspoorten, noch naar de wijze waarop de paspoorten zijn verkregen.
De rechtbank ziet wel aanknopingspunten die de mogelijkheid open laten dat verzoekster de Marokkaanse nationaliteit door afstamming van haar eigen moeder heeft gekregen. Zo heeft zij verklaard als klein kind samen met haar moeder naar Marokko te zijn gevlucht, waar een groot deel van haar familie woonde en waar zij ook probleemloos jarenlang kon verblijven, kon trouwen en waar ook haar kinderen zijn geboren en zij enkele jaren in gezinsverband hebben gewoond. Uit de verklaringen van verzoekster blijkt niet dat zij ooit problemen heeft ondervonden met de Marokkaanse autoriteiten omdat zij niet gerechtigd zou zijn om in Marokko te verblijven. In onderlinge samenhang bezien vormt dit een aanwijzing voor de mogelijkheid dat verzoekster de Marokkaanse nationaliteit bezit.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster tot oktober 2018 meerdere pogingen heeft gedaan om via de Marokkaanse autoriteiten identiteitsdocumenten te verkrijgen. De Marokkaanse autoriteiten hebben echter niet gereageerd op de verzoeken daartoe. Ook DT&V is hierbij betrokken geweest en heeft twee keer, laatstelijk in 2018, om een laissez passer gevraagd. Ook hierop is geen reactie gekomen van de Marokkaanse autoriteiten. Op de zitting is door de Staat aangevoerd dat de samenwerking met de diplomatieke vertegenwoordiging van Marokko in het verleden niet goed was en dat het daarom destijds ook niet ongebruikelijk was dat er geen reactie kwam. Inmiddels is de samenwerking echter verbeterd, aldus de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom uit het uitblijven van een reactie van de zijde van de Marokkaanse autoriteiten niet worden afgeleid dat zij verzoekster niet beschouwen als onderdaan.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de Marokkaanse autoriteiten recent, anders dan in het verleden, wel verklaringen hebben afgegeven omtrent het wel of niet erkennen van personen als Marokkaans onderdaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat van verzoekster verlangd kan worden dat zij zich wendt tot de Marokkaanse autoriteiten om een dergelijke verklaring te verkrijgen. Sinds het laatste verzoek om afgifte van een laisser passer zijn immers 8 jaar verstreken. Van verzoekster wordt verwacht dat zij schriftelijk een verklaring opvraagt bij de Marokkaanse autoriteiten waarbij zij haar volledige naam, geboortedatum en -plaats dient te vermelden met een reactietermijn van één maand. Een kopie van dat bericht dient (de advocaat van) verzoekster naar de Staat alsook naar de rechtbank te sturen. Als er wederom een reactie uitblijft, dient verzoekster een rappelbrief te sturen met een reactietermijn van veertien dagen. Het staat de Staat uiteraard vrij om zelf ook navraag te (laten) doen bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook van dat eventuele bericht dient (de advocaat van) verzoekster naar de Staat alsook naar de rechtbank te sturen.
De rechtbank zal de zaak pro forma aanhouden voor de duur van drie maanden om verzoekster in de gelegenheid te stellen om de hiervoor omschreven verklaring op te vragen bij de Marokkaanse autoriteiten. Zowel de Staat als verzoekster worden in de gelegenheid gesteld om zich binnen deze termijn uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure en wat de reactie (of het uitblijven daarvan) van de Marokkaanse autoriteiten betekent voor het voorliggende verzoek. Daarna zal de rechtbank de zaak in beginsel schriftelijk afdoen. Zoals hiervoor reeds vermeld, wordt verzoekster gevraagd een kopie van haar aanvraag en eventueel rappelbrief alsook de reactie van de Marokkaanse autoriteiten aan de rechtbank en de Staat te sturen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de behandeling van het verzoek vaststelling van de staatloosheid van verzoekster wordt aangehouden tot 15 oktober 2026 pro forma teneinde verzoekster en de Staat in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als hiervoor onder ‘beoordeling’ vermeld, waarna de rechtbank de zaak in beginsel schriftelijk zal afdoen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de staatloosheid van verzoekster aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A.P. de Klerk en R.S. Matthijssen, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 17 juli 2026.